Bekend is dat de bodemkwaliteit van (spoor)wegen inclusief bermen kan afwijken van de kwaliteit van de BKK-zone waarin deze zijn gelegen. Deze afwijkende kwaliteit kan verschillende oorzaken hebben zoals gebruikte materialen, calamiteiten, depositie en afspoeling. Op deze plekken vinden regelmatig grondroerende activiteiten plaats vanwege wegwerkzaamheden. De werkzaamheden hebben vaak een civieltechnische insteek: aanleg, herinrichting en/of beheer en onderhoud.
In de praktijk bestaat vaak onduidelijkheid over grondverzet rondom wegen en bermen. De Regio hanteert onderstaande uitgangspunten.
Verticale begrenzing (spoor)wegen en bermen
De begrenzing van het gebied met een afwijkende bodemkwaliteit wordt naast de bodem onder de weg zelf bepaald door bermen, bermsloten, geluidswallen etc. Gezien het geroerde karakter (kabels, leidingen en eventuele opgebrachte materialen) wordt in de regel het traject 0-1,0 m-mv gerekend tot de omvang van de bodem met een afwijkende bodemkwaliteit. Daarnaast kan de fysische samenstelling (civieltechnische eisen) van dit materiaal afwijken van de omliggende bodem. Dieper gelegen trajecten zijn vaak van betere kwaliteit en bestaan veelal uit de originele bodem. Onder riolering zal de bodemkwaliteit (mogelijk) tot grotere diepte zijn beïnvloed.
Horizontale begrenzing (spoor)wegen en bermen
De horizontale begrenzing van wegen en bermen zorgt in de praktijk vaak voor onduidelijkheid.
De Regio hanteert hierbij de volgende uitgangspunten:
Het betreffende gebied moet verkeersdoeleinden als bestemming hebben.
Indien er een hekwerk langs de (spoor)wegstaat, geldt dat tussen het hekwerk en de infrastructuur sprake is van de toegekende bodemfunctieklasse.
Indien er een geluidswal naast de (spoor)weg ligt, geldt de toegekende bodemfunctieklasse tot aan de kruin van de geluidswal. Bij een grootschalige bodemtoepassing (GBT) geldt het regiem van de GBT.
Indien er een afwateringsgreppel naast de (spoor)weg ligt, geldt de toegekende bodemfunctieklasse tot aan de buitenzijde van deze greppel.
Indien er een berm of fietspad naast de (spoor)weg ligt, geldt ook voor deze onderdelen de toegekende bodemfunctieklasse.
Uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat er nog meer voorbeelden zijn dan bovenstaande punten. Altijd moet per situatie worden bekeken of er omstandigheden zijn die leiden tot een indeling die anders is dan de toegekende bodemfunctieklasse.
Bodemonderzoek blijft veelal noodzakelijk
Werkzaamheden aan wegen zijn meestal civieltechnisch: aanleg, herinrichting en/of beheer en onderhoud. Ten behoeve van de aanbesteding en in het kader van de Arbowetgeving dient inzicht gegeven te worden in de te verwachten bodemkwaliteit. Het onderzoek bestaat minimaal uit een vooronderzoek (NEN 5725) en wordt veelal aangevuld met een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740, NEN 5707, NEN 5897). De uiteindelijke diepgang van het bodemonderzoek zal afhankelijk zijn van de specifieke situatie en is daarom maatwerk.
Bodemkwaliteitskaart bruikbaar
De ontgravingskaart van de BKK doet voor het geroerde traject (doorgaans 0-1,0 m–mv) rondom wegen of bermen niet altijd een betrouwbare uitspraak over de te verwachten bodemkwaliteit. Bovengrond uitbijvoorbeeld een wegberm kan daardoor niet altijd zonder partijkeuring worden toegepast in de bouwvoor van een akkerland. In de volgende voorbeelden vindt de Regio de ontgravingskaart BKK wel bruikbaar voor wegen en bermen.
Indien uit een vooronderzoek blijkt dat de ongeroerde (onder)grond onverdacht is ten opzichte van de bodemkwaliteitsklasse voor de zone waarin deze ligt. In dat geval kan alsnog gebruik worden gemaakt van de BKK als milieuhygiënische verklaring.
Indien uit een verkennend bodemonderzoek blijkt dat van de geroerde laag onder een weg de bodemkwaliteit (zowel fysisch als chemisch) vergelijkbaar is met de zone waarin de weg ligt. In dat geval mag de grond worden toegepast in een GBT met de BKK als milieuhygiënische verklaring. Toepas- sing dient vooraf te worden goedgekeurd door de beheerder van de GBT en het bevoegd gezag.
Aan de hand van enkele voorbeelden wordt de systematiek verduidelijkt.
Voorbeeld 1: ongeroerde grond onder wegcunet
Onder een bestaande weg in de zone landbouw/natuur wordt een riolering aangelegd op een diepte van ongeveer 3,0 m -mv. Op dat moment ligt er nog geen riolering. Uit een verkennend onderzoek blijkt dat er sprake is van ongeroerde grond vanaf 1,2 m –mv. De kwaliteit van 1,2 – 2,0 m -mv voldoet overal aan de Aw. De gemeente wil de grond die vrijkomt vanaf 1,2 m –mv tot onderzijde (circa 3,5 m –mv) cunet gebruiken als ophoging van een te drassig perceel in de zone landbouw natuur. Op basis van het verkennend onderzoek inclusief vooronderzoek blijkt dat de grond vanaf 1,2 m –mv voldoet aan de bodemkwaliteit van de gehele zone. Voor de bodemlaag van 2,0 – 3,5 m –mv kan ervan uit worden gegaan dat de bodemkwaliteit voldoet aan de gebiedskwaliteit ook al is deze niet verkennend onderzocht. De BKK kan als milieuhygiënische verklaring worden gebruikt en een partijkeuring van het traject 1,2 3,5 m -mv is niet nodig. (Een cunet is een uitgegraven gedeelte.)
Voorbeeld 2: geroerde grond in bovenlaag weg of wegberm vergelijkbaar met omgevingskwaliteit
Onder een bestaande weg in een woonwijk die op de ontgravingskaart van de BKK is ingedeeld in klasse wonen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de weg is gefundeerd op een laag menggranulaat van 0,1-0,3 m -mv met daaronder een bodemlaag met zwakke bijmengingen met baksteen. De gehalten van de bodemlaag direct onder het menggranulaat voldoen aan Aw. De zintuiglijke bijmengingen zijn vergelijkbaar met de zone waarin de weg ligt. Bij de reconstructie wordt de weg verlaagd en komt 300 m3 grond vrij van het traject 0,3-0,5 m –mv.
Deze grond mag op basis van de BKK in combinatie met het verkennend bodemonderzoek gebruikt worden in het vullichaam van een GBT in de gemeente waar de grond vrijkomt.
Volgens de ontgravingskaart is sprake van klasse industrie. De bodemkwaliteitskaart kan voor deze zone als milieuhygiënische verklaring (op basis van de BKK) worden gebruikt.
Zinkassenwegen
Binnen de Regio bevinden zich met name in de gemeente Weert, Nederweert, Maasgouw, Leudal en Peel en Maas zinkassenwegen. Voor de omgang met zinkassen wordt verwezen naar paragraaf 2.8.2.
Schrapen van wegbermen
Een bijzondere activiteit is het schrapen van wegbermen. Bij het vrijkomende materiaal kan sprake zijn van een organische afvalstof of van grond (< 20% organisch materiaal). Eventueel kan het vrijgekomen materiaal uitgezeefd worden tot een stroom grond en een stroom organisch materiaal. Wanneer er sprake is van grond en hergebruik op basis van de BKK is voorzien dan zal er minimaal een vooronderzoek conform NEN 5725 moeten worden uitgevoerd. Over het algemeen kan gesteld worden dat de kwaliteit van het bermschraapsel wordt beïnvloedt door de gebruiksintensiteit van de wegen en het eventueel aanwezige verhardingsmateriaal langs de weg. Na uitvoering van een vooronderzoek (al dan niet in combinatie met een verkennend bodemonderzoek) dient met het lokale bevoegd gezag afgestemd te worden of hergebruik in een GBT mogelijk is op basis van de bodemkwaliteitskaart. Alternatieven zijn het uitvoeren van een partijkeuring of afzet bij bijvoorbeeld een BRL 9335 erkend bedrijf.
Bodemkwaliteitskaart Nederweert als milieuhygiënische verklaring voor de bovengrond bermen buitengebied
In de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Nederweert zijn een groot aantal onverharde wegbermen in het buitengebied gezoneerd (traject 0,0-0,3 m -mv).
Aandachtspunt in situ partijkeuring bij wegen en bermen
Binnen de regio is vaker geconstateerd dat de resultaten van een in situ partijkeuring ter plaatse van een openbare weg niet overeenkomen met de kwaliteit die erna elders wordt toegepast. Redenen hiervoor zijn dat er binnen de in situ partijkeuring (funderings)lagen worden uitgesloten maar hier wordt bij het graven onvoldoende rekening mee gehouden. Er kan ook sprake zijn van een zekere heterogeniteit die niet bij het onderzoek is aangetroffen. Daarnaast kunnen na het frezen van een asfaltverharding asfaltresten achterblijven die een onderliggende grondlaag negatief beïnvloeden. Zowel de ontdoener als de toepasser van een partij grond moeten zich ervan bewust zijn dat de grond die wordt toegepast ook qua samenstelling en bijmengingen overeenkomt met de beschrijving van de onderzochte partij.
Hoofdstuk
Artikel 2.3.10
Grondverzet bij (spoor)wegen en bermen
Onderdeel van Beleidsregel van de gemeenteraad van de gemeente Venray houdende regels omtrent de Nota Bodembeheer Limburg Noord 2020-2029