Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 2.4.2

Wanneer en welk soort bodemonderzoek nodig voor de activiteit afwijken bestemmingsplan

Onderdeel van Beleidsregel van de gemeenteraad van de gemeente Venray houdende regels omtrent de Nota Bodembeheer Limburg Noord 2020-2029

In Afbeelding 2 is aan de hand van de geldende regelgeving opgenomen wanneer en welk type onderzoek nodig is in de regio. Het stroomschema is een hulpmiddel dat mogelijk niet voor alle situaties voldoende duidelijkheid biedt. In die gevallen ligt de uiteindelijke beslissing over het uit te voeren onderzoek door de initiatiefnemer bij de betreffende gemeente. Om gebruik te maken van een vooronderzoek in combinatie met de bodemkwaliteitskaart, geldt dat het plangebied onverdacht moet zijn én binnen een gezoneerd deel van de regionale bodemkwaliteitskaart moet liggen. Het vooronderzoek om aan te tonen of een locatie onverdacht is, dient te voldoen aan de onderzoeksaspecten zoals opgenomen in de NEN 5725. Wanneer een locatie (mogelijk) verdacht is maar aangetoond of gevalideerd kan worden dat deze verdenking niet leidt tot (het vermoeden van) een ernstig geval van bodemverontreiniging of tot beperkingen van de uitvoerbaarheid van het plan dan is vervolgonderzoek niet noodzakelijk. Bij grotere verharde oppervlaktes moet het vooronderzoek uitsluitsel geven over de funderingslaag onder de verharding en de eventuele asbestverdachtheid hiervan. Bij het ontbreken van voorinformatie hierover kan het noodzakelijk zijn om bijvoorbeeld profileringsboringen uit te voeren als aanvulling op het vooronderzoek. Bij (nog niet eerder of onvoldoende onderzochte) verdachte locaties, niet-gezoneerde gebieden, uitgesloten locaties, de zones Roermond Havengebied, Roermond Roerdelta en Roermond binnenstad en de op de BKK aangeduide aandachtsgebieden in Weert is normaliter een verkennend bodemonderzoek NEN 5740 noodzakelijk, vaak aangevuld met een verkennend onderzoek asbest NEN 5707.

Rechtspraak bij dit artikel