5.5.1 Weersomstandigheden (werkbaar weer)
In geval van weersomstandigheden (bijvoorbeeld wateroverlast, (zware) sneeuwval of ijzel en vorst), waarbij de uitvoering van de werkzaamheden tot overlast voor de bewoners en/ of schade voor de gemeente leidt door bijvoorbeeld breuk van vastgevroren bestratingsmateriaal en/of niet goed te verdichten ondergrond, zal het bevoegd gezag overgaan tot het tijdelijk opschorten van de werkingsduur van het instemmingbesluit (“Breekverbod”). De melder en grondroerder zijn gehouden zich aan onderstaande richtlijnen te houden, ook al heeft de gemeente (nog) geen expliciete melding van een breekverbod gemaakt:
Op het weerstation KNMI in De Bilt gelden de volgende condities:
Om 07.00 uur een geregistreerde temperatuur van -4 ºC of lager;
Om 10.00 uur een geregistreerde temperatuur van -2 ºC of lager;
Om 07.00 uur een geregistreerde temperatuur tussen 1 ºC en -3 ºC en om 10.00 uur daaropvolgend een geregistreerde temperatuur van -1 ºC of lager;
Algemeen geldt; als er ijs in de watergang ligt mag er niet gestart worden.
Alle kosten en gevolgen, voortvloeiend uit de opschorting, zijn voor de melder. Indien grondroerder het gestelde in lid 1 negeert zal de gemeente op kosten van de betreffende leidingexploitant alle benodigde herstel werkzaamheden en materiaalleveringen (laten) uitvoeren die nodig zijn om de door leidingexploitant veroorzaakte schade aan gemeentelijke eigendommen te herstellen.
Indien leidingexploitant en gemeente vooraf overeen komen dat, tijdens een opschortingperiode, reguliere werkzaamheden aan netwerken voor levering van data niet langer kunnen worden uitgesteld kan de gemeente onder strikte voorwaarden een ontheffing voor het betreffende werk verlenen. Uitgangspunten hierbij zijn in ieder geval:
De uitvoering van het werk mag niet leiden tot overmatige overlast voor omwonenden en het doorgaande verkeer;
De uitvoering van het werk mag geen verdere afname van de (verkeers)veiligheid en bereikbaarheid veroorzaken;
De uitvoering van het werk mag geen schade aan- of verminderde kwaliteit van naastliggende of kruisende belangen van de andere leidingexploitanten veroorzaken;
Direct na het opheffen van het algemene breekverbod moet de melder op zijn kosten zorgdragen voor het weer in oorspronkelijke staat (wegprofiel, verharding, verhardingselementen alsmede laagopbouw en verdichting van de ondergrond) brengen van de doorgraven openbare ruimte.
5.5.2 Open ontgraving
Bij een open ontgraving worden de werkzaamheden in een droge gegraven sleuf uitgevoerd.
Afwijkingen of veranderingen in de opgegeven grondwaterstanden geven geen recht op schadevergoeding of enigerlei andere financiële tegemoetkoming.
5.5.3 Graven sleuf
De graafwerkzaamheden moeten zo worden uitgevoerd dat beschadiging van in de grond aanwezige leidingen en overige objecten wordt voorkomen. Schade aan aanwezige (diep)drainagesystemen of irrigatiesystemen moet worden voorkomen of adequaat worden hersteld na de uitvoering.
Als op basis van het archeologisch vooronderzoek een vervolgonderzoek in de vorm van een archeologische begeleiding verplicht is gesteld, dient hiermee rekening te worden gehouden.
Bij het graven van de sleuf gelden de volgende eisen:
Er mag niet dieper wordt ontgraven dan het niveau dat is aangegeven voor de onderkant van de leiding in verband met optredende klink van geroerde grond, tenzij er met de vergunningverlener anders overeen gekomen is.
Bij machinaal ontgraven is het niet toegestaan een tandenbak te gebruiken.
Het is niet toegestaan leidingen aan te prikken met een scherp/puntig voorwerp.
De wijze van ontgraven die wordt toegepast, dient beschadigingen van naastliggende leidingen uit te sluiten.
Het is verboden machinaal te graven binnen een straal van 0,50 m. vanaf de uitwendige diameter van de leiding(en) of mantelbuis(-buizen).
Het talud moet zijn aangepast aan de sleufdiepte, de eventuele bemaling en de grondsoort, opdat de sleufwanden niet kunnen instorten en/of uitzakken. Zo nodig moet de sleufwand met aan te brengen schotten worden gestut.
De sleufbodem dient zo uitgevoerd te worden dat de leiding wordt aangelegd zoals in de tekening is voorzien. Het kan nodig zijn een zandlaag, grondverbetering, onder de leiding aan te brengen.
De sleuf moet worden vrijgehouden van voorwerpen die de leiding zouden kunnen beschadigen. Grind, stenen en/of andere harde materialen nabij de definitieve plaats van de leiding moeten worden verwijderd en afgevoerd.
Bij bomen moet rekening gehouden worden met artikels 4.4.2 en 5.4.13 van het Handboek.
Voor graafwerk in en rond dijklichamen gelden mogelijk aanvullende eisen van waterschap Limburg. Hier dient rekening mee gehouden te worden.
5.5.4 Lengte van de sleuf
Na aanvang van het ontgraven van de sleuf dient binnen een werkdag de sleuf opnieuw aangevuld te worden en de eventuele bovenliggende wegverharding in goede staat te zijn hersteld. Er mogen geen grotere lengtes van sleuven worden graven dan in een werkdag kan worden aangevuld en de bovenliggende verharding kan worden hersteld tenzij anders met de toezichthouder is overeengekomen.
5.5.5 Uitgraven materiaal
Indien er in een te graven sleuf meerdere lagen grondsoorten zijn moeten deze apart worden ontgraven en op dezelfde diepte weer terug worden gebracht. De lagen moeten afzonderlijk worden verdicht. Zie ook artikel 5.5.8.
5.5.6 Opslag uitgegraven grond
De uitkomende grond moet zo worden opgeslagen dat bij het later aanvullen van de sleuf de oorspronkelijke opbouw van het bodemprofiel zo veel mogelijk wordt herkregen. De hoogte van de opslag van de uitkomende grond mag nooit > 1 m. boven het maaiveld bedragen.
Aanwezige teelaarde moet separaat worden opgeslagen van de onderliggende lagen in overleg met de beheerder van de grond. In bepaalde gevallen kan het nodig zijn de ondergrond gescheiden te ontgraven en op te slaan. De opslag moet zijn afgestemd op de plaatselijke grondslag.
Gronddepots mogen niet boven een bestaande ondergrondse leiding, onder de boomkroon of op ecologisch waardevolle bermen worden geprojecteerd. Indien dit toch nodig is, moet in overleg met de toezichthouder worden nagegaan of het mogelijk is en welke bijzondere voorzieningen moeten worden getroffen.
5.5.7 Aanvullen sleuf
Indien onder verharding de leiding onder het zandcunet wordt aangelegd, dient de leidingexploitant de sleuf tot onderkant zandcunet op zijn kosten aan te vullen met zand om zetting te voorkomen.
5.5.8 Verdichten sleuf
Na beëindiging van de leidingwerkzaamheden moeten de gescheiden lagen grond, vrij van stenen en dergelijke, weer worden teruggebracht in dezelfde volgorde zoals ze werden aangetroffen. De sleuf hoeft echter niet verder verdicht te worden dan de naastliggende grond.
De sleuf moet, ter bescherming van de leiding en bekleding, tot een hoogte van 0,30 m boven de bovenkant leiding met grond vrij van grove en harde bestanddelen worden opgevuld. Deze eerste aanvullaag moet van een zodanige kwaliteit zijn en zo worden aangebracht, dat de leiding aan alle zijden over de gehele lengte een gelijkmatige en stevige ondersteuning krijgt.
De aanvulling dient te worden uitgevoerd in lagen van maximaal 0,30 m, waarbij elke laag moet worden verdicht. De sleuf dient na verdichting te voldoen aan de RAW-standaard 2015 artikel 24.02.03 tot en met 24.02.06, 24.05.01 en 24.05.04 waarbij de volgende uitgangspunten worden gehanteerd:
Directie = bevoegd gezag/toezichthouder
Aannemer = leidingexploitant
Bestek = instemming
De leidingexploitant dient de verdichtingswaarden op verzoek aan de toezichthouder te overleggen. De toezichthouder mag controle aan de sleuf eisen.
Notabene: deze verdichtingseis geldt onverkort, ook indien er tijdens de werkzaamheden puin in de grond wordt aangetroffen en/of de grondsamenstelling een goede verdichting onmogelijk maakt. Het is dan aan de leidingexploitant om op zijn kosten maatregelen te treffen om een juiste verdichting te bereiken.
5.5.9 Overgebleven grond
Grond en puinhoudend materiaal dat overblijft, dient conform de regels van het Besluit Bodemkwaliteit of conform het gebiedsspecifieke beleid van de gemeente door de leidingexploitant te worden onderzocht, afgevoerd en verwerkt. Kosten die voortvloeien uit het laden, vervoeren, storten en verwerken van overtollige grond komen ten laste van de leidingexploitant.
5.5.10 Boringen en persingen (sleufloze techniek)
Voor elke boring of persing dient een tekening, bij voorkeur digitaal, te worden geleverd met daarop het lengteprofiel, de in- en uittredepunten in ruimtebeslag aangegeven, de opstelplaatsen van materieel en opslagplaats materiaal.
5.5.11 Bemaling
Het leggen van leidingen dient in droge sleuven plaats te vinden. Wanneer er bemaling nodig is moet dit in overleg met de vergunningverlener plaats vinden.
Voor het onttrekken en lozen van grondwater is het waterschap het bevoegd gezag. Voor het lozen op het vuilwaterriool is toestemming van de gemeente nodig.
De leidingexploitant blijft verantwoordelijk voor eventuele schade aan bijvoorbeeld gebouwen, beplanting e.d. als gevolg van de bemaling. Voor bronbemaling binnen de kwestbare boomzone moeten de voorschriften van Handboek Bomen KBB worden aangehouden.
Hoofdstuk 5
Artikel 5.5