Naar hoofdinhoud

Artikel 2.3.7

Toepassing moet nuttig en functioneel zijn

Onderdeel van Nota Bodembeheer Limburg Noord 2020-2029

De wet- en regelgeving stelt dat het toepassen van grond, baggerspecie en bouwstoffen alleen is toegestaan indien er sprake is van een nuttige en functionele toepassing (artikelen 5 en 35 Besluit bodemkwaliteit of BBK). Dit betekent dat het toepassen alleen is toegestaan voor zover: Geen grotere hoeveelheden bouwstoffen, grond of baggerspecie worden toegepast dan volgens gangbare maatstaven nodig zijn voor het functioneren van de toepassing; De toepassing volgens gangbare maatstaven nodig is op de plaats waarop, of onder de omstandigheden waarin deze plaatsvindt. Dit betekent dat de Regio – naast de chemische kwaliteit – ook op andere aspecten kan aangeven dat de (beoogde) toepassing niet gewenst is. Zo nodig kan handhavend worden opgetreden. De zorgplichtartikelen artikel 13 Wet bodembescherming en artikel 7 Besluit bodemkwaliteit liggen hieraan ten grondslag. Deze zorgplichtartikelen houden in dat iedereen die op of in de bodem handelingen verricht en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, verplicht is alle maatregelen te nemen om die verontreiniging of aantasting ongedaan te maken. Hieronder staan voorbeelden waarbij de chemische bodemkwaliteit van een partij grond voldoet aan de voorwaarden, maar de grondtoepassing toch als niet functioneel of niet nuttig gezien wordt met het oog op een goede bodemkwaliteit en een goed functionerend bodemen grondwatersysteem. Binnen de regio is het niet toegestaan om: Grond met resten van de Japanse duizendknoop (of andere invasieve exoten) toe te passen of te verspreiden. Dit moet altijd worden voorkomen. Dit geldt ook voor vergelijkbare schadelijke exoten. Afsluitende (klei)lagen in een kwel-, infiltratiegebied of anderedaarvoor gevoelige locatie te gebruiken, waardoor het watersysteem negatief wordt beïnvloed. Dit kan onomkeerbare gevolgen hebben voor de natuurontwikkeling en natuurdoelstellingen in het gebied. Grond met zintuiglijk waarneembare asbestverdachte en/of-houdende delen toe te passen in speeltuinen en tuinen. Grond met een asbestgehalte < 100 mg/ kg d.s. mag in principe vrij worden toegepast, ook als daar zintuiglijk asbestdeeltjes in voorkomen. Indien de grond wordt toegepast onder een verhardingslaag zal dat niet snel tot problemen leiden. Maar zintuiglijke asbestdeeltjes in een speeltuin of tuinen in een nieuwbouwwijk kunnen leiden tot maatschappelijke onrust. Niet draagkrachtige grond te gebruiken op ontwikkellocaties waarvan bekend is dat deze een zeker mate van stabiliteit moeten hebben in de toekomst. Bij het ophogen van locaties waar de mogelijkheid bestaat dat er in de toekomst gebouwd gaat worden, moet rekening worden gehouden met de draagkracht van de toe te passen grond. Grond met 5-20% aan puinbijmengingen in een tuin-, landbouw- of natuurfunctie toe te passen. Dergelijke gehalten geven een aantasting van de functionele eigenschappen die aan een dergelijke bodem worden gesteld. Ook het toepassen van grond van een voormalige hondenuitlaatplaats in een (speel)tuin wordt als niet gangbaar beschouwd; Sterk humeuse lagen toe te passen in natuur- en agrarische gebieden waar dit kan leiden tot buitensporige en dus ongewenste onkruidgroei. Bij bedrijfsterreinen met de bodemfunctieklasse industrie en de toepassingsklasse AW of wonen kan wanneer een verkennend bodemonderzoek uitwijst dat er sprake is van industriekwaliteit in principe ook industriekwaliteit toegepast worden. Het toepassen van grond met industriekwaliteit mag alleen plaatsvinden na goedkeuring van het bevoegd gezag. Het bevoegd gezeg stemt alleen in als het om een nuttige en functionele toepassing gaat. Bij haar beoordeling kijkt het bevoegd gezag naar diverse factoren zoals: De mate waarin de betreffende parameters de zonekwaliteit overschrijden (is er sprake van “ruis” danwel natuurlijke achtergrondgehalten of van een significant, afwijkende bodemkwaliteit); De parameters/gehalten van de ontvangende bodem in relatie tot de kwaliteit van de voorziene partij waarbij verslechtering op stofniveau ongewenst kan zijn; De omvang van de locatie (de bekende “postzegels” met slechtere bodemkwaliteit zijn met het oog op duurzaam en efficiënt bodembeheer niet gewenst).

Rechtspraak bij dit artikel