Het meersporenbeleid streeft voor alle sporen naar een duurzame bodemgeschiktheid. Getalsmatig is dit ingevuld door het hanteren van de in het kader van het Besluit bodemkwaliteit vastgestelde generieke maximale waarden (AW2000, Maximale Waarde Wonen en Maximale Waarde Industrie).
Het realiseren van deze bodemkwaliteit kunnen we niet in alle gevallen verplicht stellen. In het kader van de Wet bodembescherming en de Woningwet kunnen we alleen een (kwalitatieve) saneringsplicht opleggen indien de bodemverontreiniging leidt tot (humane) risico’s. In de regel is er pas sprake van mogelijke risico’s indien er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. In het meersporenbeleid is ervoor gekozen deze lijn door te trekken naar het ruimtelijke spoor.
Dit betekent dat zolang er geen sprake is van (een vermoeden van) een geval van ernstige bodemverontreiniging er geen sanerende maatregelen worden voorgeschreven.
Afbeelding 2
Artikel 2.4.3
Bodemkwaliteitstoets op basis van het meersporenbeleid
Onderdeel van Nota Bodembeheer Limburg Noord 2020-2029