Naar hoofdinhoud
1.. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien: het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg (inclusief het doelmatig en veilig gebruik daarvan) belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2.. [gereserveerd]. 3.. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen, uitstallingen en reclameborden. 4.. In verband met de belangen genoemd in het eerste en derde lid, alsmede die genoemd in artikel 1:8 van deze verordening, en het belang van een eerlijke en evenwichtige verdeling van de beschikbare plaatsingsmogelijkheden, kan het bevoegd bestuursorgaan nadere regels stellen ten aanzien van verwijsborden en borden ten behoeve van al dan niet tijdelijke reclame-uitingen. Deze regels kunnen in ieder geval betrekking hebben op: het aantal borden en de locaties waar zij mogen worden geplaatst; de periode gedurende welke de borden mogen worden geplaatst, waarbij onderscheid kan worden gemaakt naar categorieën van aanvragers en activiteiten; omvang, materiaal en vormgeving van de borden; wijze van bevestiging van de borden; de termijn waarbinnen melding moet worden gedaan van het voornemen om borden te plaatsen of ontheffing wordt aangevraagd als bedoeld in het vijfde lid. Bij de melding of aanvraag moet in ieder geval worden aangegeven gedurende welke periode, op welke plaatsen en voor welk doel men de borden wil plaatsen. 5.. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 6.. De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 7.. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: evenementen als bedoeld in artikel 2:24; standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18; en overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 8.. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de Provinciale Wegenverordening.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel