**1..** Giften in de vorm van verstrekkingen van de Voedselbank, kledingbank, speelgoedbank, Vincentiusvereniging en soortgelijke charitatieve instellingen worden niet als middelen in de zin van de wet beschouwd.
**2..** Periodieke giften met een bepaalde bestemming, waarvoor anders periodieke bijzondere bijstand zou (kunnen) worden verstrekt, worden vrijgelaten. Er is dus sprake van noodzakelijke, uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten waarin wordt voorzien door een gift van een derde. Voorwaarde is ook dat de gift aantoonbaar wordt aangewend voor dit doel.
**3..** Periodieke giften die ter vrije besteding van de ontvanger zijn of zijn aan te merken als bestemd voor een doel dat overeenkomt met het doel van de algemene periodieke bijstand, kunnen tot een bedrag van € 50 per maand worden vrijgelaten. Bij giften boven € 50 per maand wordt het meerdere van de gift als middelen in de zin van artikel 31 van de wet aangemerkt waarmee bij de vaststelling van de bijstand rekening moet worden gehouden.
**4..** Incidentele giften met een bepaalde bestemming, waarvoor anders incidentele bijzondere bijstand zou (kunnen) worden verstrekt, worden vrijgelaten. Er is sprake van noodzakelijke, uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten waarin wordt voorzien door een gift van een derde. Voorwaarde is ook dat de gift aantoonbaar wordt aangewend voor dit doel. Incidentele giften die ter vrije besteding van de ontvanger zijn of zijn aan te merken als bestemd voor een doel dat overeenkomt met het doel van de algemene periodieke bijstand kunnen worden vrijgelaten tot maximaal € 600 per kalenderjaar. Bij giften boven € 600 wordt het meerdere van de gift als middelen in de zin van artikel 31 van de wet aangemerkt waarmee bij de vaststelling van de bijstand rekening moet worden gehouden.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.