**1..** Het college kan een eenmalige subsidie verlenen als gedeeltelijke compensatie van de verliezen die worden geleden als gevolg van de coronamaatregelen in de periode van half maart 2020 tot 1 januari 2021 aan de volgende te onderscheiden Kunstenplaninstellingen:
kunstinstellingen die in de Hoofdlijnen kunst en cultuur 2017-2020 op naam zijn aangewezen als behorende tot de Amsterdam Bis;
kunstinstellingen die een vierjarige subsidie van minimaal € 400.000 per jaar van het AFK ontvangen in het kader van het Kunstenplan 2017-2020;
kunstinstellingen die een vierjarige subsidie van het AFK ontvangen in het kader van het Kunstenplan 2017-2020 én in aanmerking komen voor een bijdrage uit stroom 3 (matching) van het additionele noodpakket van het ministerie van OCW.
**2..** Voor het bepalen van de maximale hoogte van de subsidie worden de kunstenplan instellingen bedoeld in het eerste lid onderverdeeld in de volgende groepen:
Groep 1: instellingen die niet in aanmerking komen voor een bijdrage op basis van het additionele noodpakket van het ministerie van OCW voor de cultuursector;
Groep 2: instellingen die in aanmerking komen voor stroom 3 van het additionele noodpakket van het ministerie van OCW voor de cultuursector (matching);
Groep 3: instellingen die in aanmerking komen voor stroom 1 van het additionele noodpakket van het ministerie van OCW én waarbij het verlies van de instelling aanmerkelijk groter is dan de subsidie uit stroom 1.
**3..** Voor groep 1 geldt dat de hoogte van de subsidie wordt bepaald op basis van de uitkomst van de volgende formule:
de hoogte van het verlies van half maart 2020 tot 1 januari 2021;
verminderd met het bedrag dat resulteert uit de som van de algemene reserve en de continuïteitsreserves over 2019 en voor zover dit bedrag niet nodig is om een weerstandsvermogen van maximaal 5% over 2019 te behouden.
**4..** Voor groep 2 geldt dat:
de hoogte van de subsidie wordt bepaald op basis van de uitkomst van de volgende formule gedeeld door twee, met een maximum van € 1 miljoen:
de hoogte van het verlies van half maart 2020 tot 1 januari 2021;
verminderd met het bedrag dat resulteert uit de som van de algemene reserve en de continuïteitsreserves over 2019 en voor zover dit bedrag niet nodig is om een weerstandsvermogen van maximaal 5% over 2019 te behouden.
indien het subsidiebedrag op basis van de formule in het voorgaande lid (4.a.) hoger is dan de matchingsbijdrage van een rijkscultuurfonds (stroom 3), wordt het subsidiebedrag vermenigvuldigd met twee en verminderd met de matchingsbijdrage.
**5..** Voor groep 3 geldt dat de hoogte van de subsidie wordt bepaald op basis van de uitkomst van volgende formule:
de hoogte van het verlies van half maart 2020 tot 1 januari 2021, waarbij uit de opgave in de aanvraag blijkt dat er rekening wordt gehouden met de bijdrage uit stroom 1;
verminderd met het bedrag dat resulteert uit de som van de algemene reserve en de continuïteitsreserves over 2019 en voor zover dit bedrag niet nodig is om een weerstandsvermogen van maximaal 5% over 2019 te behouden.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.1:
Artikel 2.1.1