Naar hoofdinhoud
1.. Voor de vervulling van de in artikel 5 genoemde taken oefent het Bestuur de bevoegdheden uit die bij of krachtens de wet zijn toegekend aan de Deelnemers. 2.. Naast de uitoefening van de taken en bevoegdheden op grond van het elders in deze Regeling bepaalde is het Bestuur in elk geval belast met en bevoegd tot: het vaststellen en wijzigen van de begroting van de Bedrijfsvoeringsorganisatie; het vaststellen van de jaarrekening van de Bedrijfsvoeringsorganisatie; het vaststellen van de jaarlijkse kadernota van de Bedrijfsvoeringsorganisatie; het vaststellen van bestuursrapportages; het vaststellen van de benodigde verordeningen en nota’s ten behoeve van de Bedrijfsvoeringsorganisatie; de aanwijzing van een of meer accountants, bedoeld in artikel 35, zesde lid, van de Wet juncto artikel 213, tweede lid, van de Gemeentewet; het beheer van de inkomsten en uitgaven van de Bedrijfsvoeringsorganisatie; het vaststellen van rechtspositionele regelingen ten behoeve van het personeel; benoeming, schorsing en ontslag van het personeel van de Bedrijfsvoeringsorganisatie; het doen van voorstellen tot toetreding alsmede voorbereiding voor besluitvorming in geval van uittreding; het voeren van rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratieve beroepsprocedures, het instellen van bezwaar en beroep alsmede het vragen om een voorlopige voorziening ten behoeve van de Bedrijfsvoeringsorganisatie; het besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen ten behoeve van de bedrijfsvoering van de Bedrijfsvoeringsorganisatie; het behartigen van de belangen van de Bedrijfsvoeringsorganisatie bij andere overheden, instellingen, bedrijven of personen. 3.. Het Bestuur neemt alle conservatoire maatregelen en doet wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit van de Bedrijfsvoeringsorganisatie. 4.. Een bevoegdheid kan niet worden overgedragen als de aard van de bevoegdheid zich hiertegen verzet. 5.. Het Bestuur kan machtiging, volmacht en mandaat verstrekken voor de daarvoor in aanmerking komende uitvoerende bevoegdheden. 6.. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 31a, tweede lid, van de Wet kan het Bestuur besluiten tot het oprichten van en deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties, en onderlinge waarborgmaatschappijen als dat bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang, maar niet voordat de Colleges zijn gevraagd om de Raden in de gelegenheid te stellen hun wensen en bedenkingen bij het Bestuur naar voren te brengen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel