Naar hoofdinhoud
1.. Iedere Deelnemer kan besluiten tot uittreding uit deze Regeling. Uittreding kan niet eerder plaats vinden dan zes jaar na de omzetting in een Bedrijfsvoeringsorganisatie, dan wel zes jaar na toetreding tot de Regeling. Bij het nemen van het besluit wordt artikel 1 van de Wet in acht genomen. 2.. Uittreding geschiedt per 31 december van het jaar volgende op het tweede jaar waarin het besluit tot uittreding is genomen. Dit geldt niet wanneer de Deelnemers hierover andere afspraken maken. 3.. Alvorens een Deelnemer tot een besluit tot uittreding komt, wordt over het voornemen daartoe overleg met de andere Colleges gevoerd. 4.. In het voornemen als bedoeld in het derde lid worden de motieven gegeven op grond waarvan de Deelnemer wenst uit te treden. 5.. Het besluit als bedoeld in het eerste lid wordt terstond ter kennis gebracht aan het Bestuur. 6.. De uittredende Deelnemer betaalt de schade die de achterblijvende Deelnemers als gevolg van de uittreding lijden. De uittredingssom wordt door een bindend advies vastgesteld door een commissie van drie onafhankelijke deskundigen die worden aangewezen door het Bestuur. Het Bestuur regelt de overige gevolgen van de uittreding. 7.. Een uittredende Deelnemer kan geen recht doen gelden op de overdracht van enig eigendom van de Bedrijfsvoeringsorganisatie. 8.. Van elk definitief besluit tot uittreding wordt terstond kennis gegeven aan de overige Colleges en hun Raden en Gedeputeerde Staten.

Rechtspraak bij dit artikel