De woonvoorziening is er op gericht dat de cliënt normaal gebruik kan maken van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft.
Compensatie ter zake van een hulpvraag die ziet op het normale gebruik van de woning wordt bij voorkeur geleverd via ondersteuning bij een verhuizing als bedoeld in artikel 22.
Geen woonvoorziening wordt verstrekt:
voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;
als de cliënt verhuisd is naar een woonruimte die niet bestemd en/of geschikt is om het gehele jaar door bewoond te worden dan wel ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting naar een geschikte woning;
voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte;
indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college.
indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college.
Het college verstrekt alleen een woonvoorziening of woningaanpassing ten behoeve van een woonwagen indien aan de volgende vereisten wordt voldaan:
de technische levensduur van de woonwagen is nog minimaal vijf jaar, én
de standplaats komt niet binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking, én
de woonwagen stond ten tijde van de indiening van de melding op een binnen de gemeente Midden Drenthe, formeel als zodanig aangemerkte standplaats.
de hoofdbewoner van een woonwagen in het bezit is van een bewoningsvergunning als bedoeld in de Woonwagenwet.
Het college verleent alleen een woonvoorziening of woningaanpassing ten behoeve van een woonschip indien:
de technische levensduur van het woonschip nog minimaal vijf jaar is, én
het woonschip nog minimaal vijf jaar op de ligplaats mag blijven liggen.
Indien de technische levensduur van de woonwagen of het woonschip minder dan vijf jaar is of de standplaats van de woonwagen binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt of het woonschip niet tenminste nog vijf jaar op de ligplaats mag liggen, zal het college een maximumbedrag voor de aanpassingskosten bepalen.
Het college verleent slechts een maatwerkvoorziening in de aanpassingskosten van een binnenschip indien de aanpassing betrekking heeft op het voor de schipper, de bemanning en hun gezinsleden bestemde gedeelte van het verblijf als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel V, van het Binnenschepenbesluit (Stb. 1987, 466), van een binnenschip, dat:
in het register, bedoeld in artikel 783 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek als zodanig te boek is gesteld op de wijze omschreven in de maatregel te boek gestelde schepen 1992; én
bedrijfsmatig wordt gebruikt, hetzij voor het vervoer van goederen, daarbij blijkens de meetbrief bedoeld in het metingbesluit binnenvaartuigen 1978 een laadvermogen van tenminste 15 ton hebbend, of voor het vervoer van meer dan 12 personen buiten de in de aanhef bedoelde personen.
De op grond van de Verordening aangebrachte woonvoorzieningen mogen niet zonder schriftelijke toestemming van burgemeester en wethouders worden verwijderd.
Hoofdstuk 3
Artikel 15.
Specifieke criteria woonvoorzieningen
Onderdeel van Verordening Wmo gemeente Midden-Drenthe 2020