Het college onderzoekt in een gesprek met de cliënt, diens vertegenwoordiger, familie of mantelzorgers en eventuele deskundigen de hulpvraag.
Als de hulpvraag genoegzaam bekend is kan het college, onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.