Naar hoofdinhoud
2.1.Begripsbepaling In deze beleidsregels wordt verstaan onder: het college: het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Huizen, Blaricum, Eemnes en Laren; Participatiewet: vervangt per 1 januari 2015 de WWB, de Wsw en een groot deel van de Wajong. algemene bijstand: bijstand, die wordt verstrekt voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, zoals kosten van levensonderhoud, die uit het inkomen moeten worden voldaan; de bijzondere bijstand (artikel 35 van de Participatiewet): bijstand die bestemd is voor de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van bestaan, die niet kunnen worden voldaan uit het inkomen, de toepasselijke bijstandsnorm of inkomensvoorziening en/of uit het aanwezige vermogen; de bijstandsnorm: norm zoals bedoeld in artikel 5 lid c van de Participatiewet; de individuele inkomenstoeslag: de toeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet; de voorliggende voorziening: een voorziening die naar aard en doel geacht wordt passend te zijn voor een belanghebbende, waardoor geen recht op bijzondere bijstand bestaat; de woonkosten bij een huurwoning: de per maand geldende rekenhuur als omschreven in artikel 5, van de Wet op de huurtoeslag; de woonkosten bij een koopwoning: de kosten die de eigenaar verschuldigd is voor: de hypotheekrente, de premie voor opstalverzekering, het eigenaargedeelte van de onroerend zaak belasting, de omslagheffing voor huiseigenaren (de waterschapslasten), een vast bedrag voor kosten van groot onderhoud en ingrijpende reparaties. Deze kosten worden conform het budgethandboek NIBUD vastgesteld. Het gaat om onderhoud woning en onderhoud CV-installatie; de Wlz: de Wet langdurige zorg; de Wmo: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; de Zvw: de Zorgverzekeringswet; de WSNP: de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen; het NIBUD: Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting; de WSF: de Wet Studiefinanciering 2000; de WTOS: de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. 2.2.Wettelijke bepalingen Bij beoordeling van een aanvraag voor bijzondere bijstand zal het college zich steeds de volgende vier vragen moeten stellen. Als het antwoord op een vraag negatief is, wordt de volgende vraag niet beantwoord, omdat er geen sprake kan zijn van bijzondere bijstandsverlening. Deze vaste beoordelingsvolgorde is ontwikkeld in jurisprudentie. Doen de kosten zich voor? Zijn de kosten in het individuele geval noodzakelijk? Vloeien de kosten voort uit bijzondere individuele omstandigheden? Kunnen de kosten worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm? 2.3.Drempelbedrag, inkomen, vermogen en draagkracht 2.3.1.Drempelbedrag Op grond van artikel 35 lid 2 van de Participatiewet kan de gemeente per twaalf maanden een drempelbedrag hanteren voordat een aanvraag voor bijzondere bijstand kan worden ingediend. Bij de verlening van bijzondere bijstand wordt geen drempelbedrag gehanteerd. De redenen hiervoor zijn: bij andere instanties wordt vaak ook al een eigen bijdrage gevraagd; de psychologische barrière om bijzondere bijstand aan te vragen wordt verkleind; de duidelijkheid naar de belanghebbende wordt vergroot; de bijzondere bijstand is de laatste voorziening welke voor belanghebbende openstaat; vermindering bureaucratie en administratieve afhandelingen. 2.3.2.Inkomen De inkomenscomponenten, die op grond van artikel 32 van de Participatiewet tot het inkomen worden gerekend, worden ook in het kader van de bijzondere bijstand als inkomen aangemerkt, echter exclusief vakantiegeld. De inkomenscomponenten waarover vakantiegeld wordt uitbetaald, worden verhoogd met het vakantiegeldpercentage, dat wordt toegepast voor de bijstand (percentage van artikel 19 lid 3 van de Participatiewet). De peildatum van het inkomen is de maand waarin de oudste kosten zijn gemaakt. Het inkomen van een zelfstandige is de jaarwinst verminderd met 23% (peildatum 1 januari). De jaarwinst wordt vastgesteld aan de hand van het jaarverslag van het boekjaar voorafgaande aan de peildatum. 2.3.3.Vermogen Het vermogen wordt op dezelfde manier vastgesteld als bij de algemene bijstand. Het vermogen wordt vastgesteld per de eerste dag van de maand waarin de oudste kosten zijn gemaakt. Dat betekent dat het vermogen bij een aanvraag bijzondere bijstand afzonderlijk van de vermogensvaststelling in het kader van de algemene bijstand wordt vastgesteld. De reden hiervoor is, dat een eerder vastgestelde vermogenspositie kan zijn gewijzigd. Er geldt een extra vermogensvrijlating (zie financieel besluit) indien er sprake is van uitvaartreservering, mits het geld is vastgezet ten behoeve van de uitvaart en niet eerder opneembaar is. Deze vrijlating geldt alleen als er geen uitvaartverzekering is afgesloten. Is een uitvaartverzekering afgesloten tegen een (veel) lager bedrag, dan kan een bedrag worden vrijgelaten tot het verschil van de verzekeringsdekking en de maximale extra vermogensvrijlating. Een auto, waarvan de waarde niet hoger is dan € 3.630,24 wordt vrijgelaten. De ANWB/BOVAG lijst wordt hiervoor gehanteerd, waarbij de laagste waarde (inkoop garagebedrijf) wordt genomen. De staat van de auto, bijv. schadevrij, kilometrage e.d. zijn daarbij van belang. Indien er sprake is van een afwijkende staat (bijv. schade, een hoog kilometrage) dan kan de waarde opgevraagd worden bij een garage. 2.3.4.Draagkracht De draagkracht bestaat uit draagkracht uit vermogen en draagkracht uit inkomen. Bijzondere bijstand wordt verstrekt onder aftrek van de draagkracht. Eerst wordt gekeken of er draagkracht uit vermogen is, daarna naar draagkracht uit inkomen. 2.3.5.Draagkracht uit inkomen Als een belanghebbende beschikt over een inkomen, dat hoger is dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm, dan is er draagkracht. Voor een aantal kosten geldt echter dat er draagkracht is bij een inkomen hoger dan de toepasselijke bijstandsnorm. Deze kosten zijn vermeld in het derde lid onder b van dit artikel. Het inkomen kan worden verminderd in verband met buitengewone uitgaven. Er kan slechts van buitengewone uitgaven sprake zijn voor zover voor die uitgaven geen tegemoetkoming wordt verleend. Als buitengewone uitgaven die van invloed zijn op het inkomen (voordat een draagkrachtpercentage wordt toegepast), worden de volgende kosten aangemerkt: woonkosten, tot het verschil tussen de maximaal mogelijke huurtoeslag op basis van een inkomen op bijstandsniveau en de feitelijk ontvangen huurtoeslag; voor eigen rekening blijvende reiskosten woon-werkverkeer; formeel verschuldigde en betaalde alimentatie en onderhoudsbijdragen. de toegepaste draagkracht bij de gemeentelijke belastingen . Voor de vaststelling van de draagkracht wordt het inkomen voor zover het hoger is dan 120% van toepasselijke bijstandsnorm volledig in aanmerking genomen en als draagkracht vastgesteld. Voor de vaststelling van de draagkracht wordt het inkomen voor zover het hoger is dan de toepasselijke bijstandsnorm volledig in aanmerking genomen en als draagkracht vastgesteld indien het de volgende kosten betreft duurzame gebruiksgoederen; levensonderhoud van jongeren van 18, 19 of 20 jaar; arbeidsongeschiktheidsverzekering; woonlasten; schuldsanering; verhuizing; woninginrichting en kosten suppletie; uitvaart. 2.3.6.Draagkracht uit vermogen Het vermogen wordt tot aan de van toepassing zijnde grens als bedoeld in artikel 34 lid 3 van de Participatiewet buiten beschouwing gelaten. Het vermogen boven deze grens wordt volledig in aanmerking genomen voor de draagkracht. Dit betekent ook dat de vrijlating van artikel 34 lid 2 onder c Participatiewet niet van toepassing is. Voor de volgende kosten wordt het volledige vermogen als draagkracht in aanmerking genomen, en is de vrijlating van artikel 34 lid 3 Participatiewet niet van toepassing: duurzame gebruiksgoederen. schuldsanering; verhuizing; woninginrichting en kosten suppletie; kosten crematie/uitvaart. 2.3.7.Draagkrachtperiode De draagkrachtperiode gaat in op eerste dag van de maand waarin de oudste kosten zijn gemaakt. Indien de aanvraag betrekking heeft op nog te maken kosten, wordt het inkomen en vermogen vastgesteld per de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is gedaan. De draagkracht wordt voor personen jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd telkens voor een periode van één jaar vastgesteld, beginnende op de eerste dag van de maand waarin de kosten gemaakt zijn. De draagkracht wordt voor personen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd en ouder telkens voor een periode van drie jaar vastgesteld, beginnende op de eerste dag van de maand waarin de kosten gemaakt zijn. Indien één persoon jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd en één ouder dient gekeken te worden naar het soort inkomen. Wanneer hierin nog wijzigingen worden verwacht, dient de draagkracht voor één jaar te worden vastgesteld. Bij elke volgende aanvraag binnen het draagkrachtjaar wordt rekening gehouden met de vastgestelde jaardraagkracht; de vastgestelde (resterende) draagkracht blijft dus gelden. In afwijking van het zesde lid kan in bijzondere situaties, waarin een jaardraagkracht onrechtvaardig werkt, de draagkracht voor een afwijkende periode worden vastgesteld. De aanvangsdatum van de draagkrachtperiode kan op een andere dag bepaald worden, indien de omstandigheden dat vragen. In afwijking van het zesde lid wordt de draagkracht in het vastgestelde draagkrachtjaar gewijzigd als het inkomen met meer dan 10% daalt of stijgt. 2.4.Aanvraag Aanvragen voor bijzondere bijstand kunnen worden ingediend tot en met één jaar na het moment waarop de kosten zijn gemaakt. In afwijking van lid 1 moet in de volgende gevallen bijzondere bijstand worden aangevraagd voordat de kosten zijn gemaakt. verhuis- en woninginrichtingskosten; duurzame gebruiksgoederen eenmalige en/of periodieke kosten die hoger zijn dan € 500,- per jaar, tenzij het bewindvoeringskosten betreft. 2.5.De wijze van verstrekken De bijzondere bijstand wordt in beginsel “om niet” (zonder terugbetaalverplichting) verstrekt. In afwijking van lid 1 wordt bijzondere bijstand in de volgende gevallen verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht indien: het bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen betreft; redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien; de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; de aanvraag een door de belanghebbende te betalen waarborgsom betreft; het bijstand ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast betreft. als het een zelfstandige als bedoeld in het Bbz betreft, die een uitkering ontvangt op grond van het Bbz. De bijstand die in de vorm van een renteloze geldlening wordt verleend, moet worden terugbetaald. De aflossingstermijn van een renteloze geldlening wordt vastgesteld op drie jaar. Indien er na maximaal 36 maanden nog een restant bestaat, dan wordt dit omgezet in bijstand om niet. Belanghebbende moet dan wel aan de voorwaarde voldaan hebben, dat hij de vastgestelde maandelijkse aflossingsbedragen volledig heeft betaald. De maanden dat een belanghebbende tijdelijk uitstel van aflossing heeft gekregen tellen niet mee bij de periode van 36 maanden. Van lid 4 kan worden afgeweken als blijkt dat: belanghebbende op korte termijn een aanzienlijk hoger bedrag kan aflossen; of belanghebbende in de eerste drie jaar nalatig is geweest met het aflossen van de geldlening; of belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan kan worden verweten met betrekking tot het ontstaan of voortduren van de situatie welke tot het verstrekken van bijstand in de vorm van een geldlening heeft geleid. De looptijd wordt in dit geval langer aangezien belanghebbende het volledige bedrag moet aflossen. De hoogte van de maandelijkse aflossing van de renteloze lening wordt afgestemd op omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Dit betekent dat bij het bepalen van het maandelijkse aflossingsbedrag de beslagvrije voet in acht wordt genomen. 2.6.Uitbetaling De individuele bijzondere bijstand kan alleen worden verleend voor daadwerkelijk gemaakte kosten, waarvoor betalingsbewijzen moeten worden overgelegd. Als het betalingsbewijs geen factuur betreft, moet de factuur alsnog achteraf worden overgelegd. 2.7.Terugvordering De bepalingen betreffende terugvordering zijn van overeenkomstige toepassing op de bijzondere bijstand (artikel 58 Participatiewet).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel