Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 1.1.0.1

– Begripsbepalingen

Onderdeel van Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Sluis 2009

1. In deze verordening wordt verstaan onder: a. college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis; b. wet: Wet maatschappelijke ondersteuning; c. Wvg: Wet voorzieningen gehandicapten; d. Welzijnswet: Welzijnswet 1994; e. Awb: Algemene wet bestuursrecht; f. AWBZ: Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten; g. voorziening: een voorziening bestaat uit een verstrekking in de vorm van een voorziening zoals aangeduid onder h t/m m voor zover het een aanvraag van één natuurlijke persoon betreft of een subsidie als bedoeld onder ah tot en met al. g.1. burgerparticipatie: alle activiteiten die de gemeente onderneemt om burgers, al dan niet in georganiseerd verband, te betrekken bij haar activiteiten. g.2. Raad voor maatschappelijke ontwikkeling Sluis: het inspraakorgaan in het kader van participatie dat op grond van deze verordening is ingesteld. h. algemene voorziening: een voorziening die wordt geleverd op basis van directe beschikbaarheid, een beperkte toegangsbeoordeling en die een snelle, regelarme en adequate oplossing biedt voor de beperkingen die een persoon ondervindt; i. individuele voorziening: een voorziening die individueel wordt aangeboden indien een algemene voorziening geen adequate oplossing biedt; j. huishoudelijke voorziening: een voorziening ter ondersteuning bij of ter overname van activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden van een persoon dan wel de leefeenheid waartoe een persoon behoort; k. rolstoelvoorziening: een voorziening die de aanvrager in staat stelt zich in en om de woning te verplaatsen en waarvan het rijden de primaire functie is; l. woonvoorziening: een voorziening, niet zijnde een huishoudelijke voorziening of een rolstoelvoorziening, die de aanvrager in staat stelt tot het normale gebruik van de woning; m. vervoersvoorziening: een voorziening die de aanvrager in staat stelt zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel; n. algemeen gebruikelijk: hetgeen naar in het maatschappelijk verkeer geldende opvattingen voor personen als de ondersteuningsbehoevende of mantelzorger als gangbaar bezit of gangbare uitgaven wordt aangemerkt; o. PGB: persoonsgebonden budget; p. budgethouder: een persoon aan wie ingevolge deze verordening een PGB is toegekend en die aan het college verantwoording over de besteding van het PGB verschuldigd is; q. budgetperiode: periode waarvoor een PGB wordt verleend; r. inkomen: het inkomen zoals bedoeld in artikel 4.2 lid 1 Besluit maatschappelijke ondersteuning; s. nettoinkomen: Inkomen conform de berekening in de artikelen 2 en 3 van het Besluit maatschappelijke gemeente Sluis 2008. t. norminkomen: de normen, genoemd in paragraaf 3.2 van de Wet werk en bijstand, omgerekend tot een bedrag per kalenderjaar, waarbij deze normen voor een belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die een alleenstaande of een alleenstaande ouder is, en die niet in een inrichting verblijft, eerst zijn verhoogd met de toeslag, genoemd in artikel 25, lid 2 van de Wet werk en bijstand, en de normen van een alleenstaande of gehuwde, die in een inrichting verblijft, eerst zijn verhoogd met de bedragen, genoemd in artikel 23, lid 2 van de Wet werk en bijstand; u. eigen bijdrage: een bij de verlening van een voorziening in natura of in de vorm van een PGB voor rekening van de ondersteuningsbehoevende komende financiële bijdrage; v. eigen aandeel: een bij de verlening van een financiële tegemoetkoming voor rekening van de rechthebbende komend aandeel in de kosten; w. meerkosten: kosten van een mogelijk krachtens de wet te verlenen voorziening, voorzover dit deel van de kosten uitgaat boven voor die persoon als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten van een dergelijke voorziening; x. ondersteuningsbehoevende: een persoon met een verstandelijke of lichamelijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem; y. mantelzorger: een persoon die mantelzorg, als bedoeld in artikel 1 onderdeel b van de wet, pleegt; z. woonplaats: woonplaats als bedoeld in artikel 10, lid 1 en artikel 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; aa. woning: een woning, waaronder tevens wordt verstaan een woonwagen of een woonschip, voor permanente bewoning bestemd en geschikt en waarbij geen wezenlijke woonfuncties, zoals woon- en slaapruimte, was- en kookgelegenheid en toilet met andere woningen worden gedeeld; ab. gemeenschappelijke ruimte: gedeelte(n) van een woongebouw, niet behorende tot de onderscheiden woningen, bestemd en noodzakelijk om de woning van de ondersteuningsbehoevende vanaf de toegang tot de woning te bereiken; ac. woonwagen: een voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst; ad. standplaats: een kavel binnen de gemeente Sluis, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten; ae. woonschip: elk vaartuig dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebezigd als, of te oordelen naar zijn constructie of inrichting uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is tot dag- of nachtverblijf van een of meer personen; af. ligplaats: een door de gemeente aangewezen ligplaats welke door een woonschip wordt ingenomen. ag. collectieve voorziening: een voorziening die door derden aangeboden wordt in de vorm van concrete activiteiten met financiële ondersteuning in de vorm van subsidie op grond van deze verordening. ah. subsidie: de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan betaling voor geleverde goederen en diensten. ai. budgetsubsidie: een subsidie om een door de gemeente goedgekeurd activiteitenpakket uit te voeren, waarbij de aanvrager verantwoording af moet leggen over de omvang en kwaliteit van het uitgevoerde activiteitenpakket. aj. waarderingssubsidie: een subsidie voor de activiteiten van een aanvrager, waarbij in beginsel geen verband bestaat tussen de kosten die de aanvrager maakt en de subsidie die zij ontvangt. ak. incidentele subsidie: een eenmalige subsidie, zoals start-, investerings- en experimentsubsidies. a. subsidie op basis van kostensoorten: subsidie op basis van kostensoorten, zoals personeel, huisvesting, activiteiten en organisatie. am. werkprogramma: een plan waarin aangegeven wordt welke voorzieningen de aanvrager voornemens is uit te voeren, voor welke doeleinden deze moeten dienen en de daaraan gerelateerde begroting van inkomsten en uitgaven. an. subsidieplafond: de bovengrens van de hoogte van een subsidiebedrag of het totaal van de subsidiebedragen binnen één beleidssector. 2 Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet en de Awb.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel