Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 3.1.0.1

- Beperkingen en weigeringsgronden

Onderdeel van Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Sluis 2009

1. Een voorziening kan slechts worden toegekend indien: a. de aanvrager een verstandelijke of lichamelijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem heeft, waardoor hij niet in aanvaardbare mate in staat is, dan wel indien de aanvrager mantelzorg pleegt waarbij hij niet in aanvaardbare mate in staat is om: 1. een huishouden te voeren; 2. zich te verplaatsen in en om de woning; 3. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel; 4. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale contacten aan te gaan; b. de voorziening langdurig noodzakelijk is; c. de voorziening, objectief bezien, als de goedkoopste adequate voorziening kan worden aangemerkt; d. de ondersteuningsbehoevende in de gemeente Sluis woonplaats heeft. 2. Het college weigert een voorziening: a. indien niet is voldaan aan de voorwaarden of verplichtingen gesteld bij of krachtens de wet; b. voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning een voorziening als bedoeld in artikel 2 van de wet of een verbintenis uit de wet bestaat dan wel waarop op grond van een privaatrechtelijke overeenkomst aanspraak bestaat; c. voor zover de voorziening of het deel ervan, voor wat betreft dat deel, algemeen gebruikelijk is voor de aanvrager; d. indien een voorziening als waarop de aanvraag betrekking heeft reeds eerder krachtens de WVG of krachtens de wet is verleend en de normale afschrijvingsduur voor die voorziening nog niet is verstreken, tenzij de eerder verleende voorziening geheel of gedeeltelijk verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen; e. indien een voorziening niet noodzakelijk is vanwege redelijkerwijs van de ondersteuningsbehoevende of mantelzorger zelf of van anderen in diens omgeving, zoals familieleden of huisgenoten, te vergen medewerking aan oplossing voor het zich voordoende probleem. f. voor zover er aan de zijde van de aanvrager geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de voorziening wordt aangevraagd; g. indien, zo het gaat om een financiële tegemoetkoming of een PGB, in de financiering van het niet door de financiële tegemoetkoming of het PGB bestreken deel van de kosten niet is voorzien; h. indien de aanvraag een financiële tegemoetkoming in, een voorziening in natura, of een PGB voor kosten betreft die de ondersteuningsbehoevende of mantelzorger voor de datum van het besluit naar aanleiding van die aanvraag heeft gemaakt, tenzij het college schriftelijk toestemming heeft verleend voor het maken van de kosten. 3.Als op grond van deze verordening eerder een PGB of een financiële tegemoetkoming is verleend, kan een PGB of een financiële tegemoetkoming slechts worden verleend indien de aanvrager zich gehouden heeft aan de bij de verlening van dat eerdere PGB of financiële tegemoetkoming opgelegde verplichtingen.

Rechtspraak bij dit artikel