Naar hoofdinhoud

Artikel 3.6.1.6

Verplichtingen houder vergunning voor het (doen) vellen van houtopstanden

Onderdeel van Verordening voor de fysieke leefomgeving Leiden 2020

1.. Tenzij in deze verordening of de vergunning van het college anders is bepaald, is de vergunninghouder verplicht een te vellen houtopstand te verplanten op hetzelfde perceel of in de nabije omgeving, waarbij de eigenaar van het betreffende perceel, als dit niet de aanvrager van de vergunning is, schriftelijk akkoord moet zijn gegaan. 2. . Als het niet mogelijk is om een te vellen houtopstand te verplanten, of de te vellen houtopstand een ecologische waardering (conform het Register ecologische bomen) van minder dan 3 heeft of wanneer de kosten van het verplanten hoger zijn dan de actuele vervangingskosten, dan wordt in afwijking van het vorige lid aan de vergunninghouder de verplichting opgelegd een compensatieboom aan te planten conform het door het college bij de vergunningsaanvraag goedgekeurde compensatieplan. 3. . De verplante houtopstand of de aangeplante compensatieboom moet geplant worden in een groeiplaats van voldoende kwalitatieve waarde om de houtopstand duurzaam te handhaven. De verplante houtopstand of de aangeplante compensatieboom moet tenminste drie jaar afdoende nazorg krijgen. Wanneer de verplante houtopstand of de aangeplante compensatieboom niet aanslaat, moet deze binnen een jaar na constatering worden vervangen. Voor elke (nieuwe) vervanging geldt opnieuw drie jaar nazorg. 4. . Als uit de bij de aanvraag gevoegde en door het college goedgekeurde alternatievenstudie blijkt dat het aanplanten van een compensatieboom niet mogelijk is, moet een financiële compensatie plaatsvinden. De verplichting als opgenomen in het eerste en tweede lid komt dan te vervallen na storting van de financiële compensatie in het Bomenfonds als bedoeld in paragraaf 5.1.1. De financiële compensatie is gelijk aan de actuele vervangingskosten en wordt berekend met behulp van de meest actuele richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen (NVTB) door een bij de NVTB aangesloten taxateur van bomen en moet door het college worden goedgekeurd. 5. . De vergunninghouder die een houtsopstand zal vellen in verband met een ruimtelijke ontwikkeling, is verplicht binnen 7 dagen na vergunningverlening, een waarborgsom te storten in het Bomenfonds als bedoeld in paragraaf 5.1 .1. Deze waarborgsom is gelijk aan de actuele vervangingskosten en worden berekend met behulp van de meest actuele richtlijnen van de NWB door een bij de NWB aangesloten taxateur van bomen. ln artikel 5.1.1.4 staan de voorwaarden opgenomen voor teruggave van de waarborgsom. 6. . In geval van dunnen zijn de bepalingen in dit artikel niet van toepassing. 7.. Het college kan bepalen dat van de verplichtingen als opgenomen in dit artikel mag worden afgeweken als de redelijkheid zich tegen nakoming van deze verplichtingen verzet.

Verwijzingen