Het college kan op grond van artikel 4, aanhef en onderdeel 9 of onderdeel 11, van Bijlage II bij het Bor met een omgevingsvergunning afwijken van het bestemmingsplan en toestaan dat een tijdelijke premantelzorgwoning wordt gerealiseerd, met inachtneming van het volgende:
de zorgontvanger dient minimaal de leeftijd van 60 jaar te hebben bereikt;
er dient sprake te zijn van een sociale relatie (bijvoorbeeld familieband) tussen zorgverlener en zorgontvanger waarbij zorg voor elkaar of voor de hulpbehoevenden wordt gedragen;
er dient een schriftelijke verklaring van de zorgverlener en zorgontvanger overgelegd te worden. Hieruit dient te blijken dat het gaat om het verlenen van premantelzorg, dat sprake is van een progressieve aandoening en/of ziekte die op termijn (in een tijdsbestek van maximaal 10 jaar) tot mantelzorgbehoefte kan leiden en dat mantelzorg zal worden verleend zodra mantelzorg voor de zorgontvanger noodzakelijk is geworden. De indicatie hoeft geen verklaring te zijn dat de mantelzorgbehoefte daadwerkelijk zal intreden. Voor de schriftelijke verklaring dient gebruik gemaakt te worden van het formulier "indicatiestelling premantelzorg” zoals beschikbaar gesteld door het college;
in voorkomende gevallen, indien dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is voor het kunnen vaststellen van premantelzorg, kan een aanvullende medische verklaring worden geëist inhoudende een gemotiveerde indicatiestelling door een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur waaruit blijkt dat het gaat om het verlenen van premantelzorg en dat sprake is van een progressieve aandoening en/of ziekte die op termijn (in een tijdsbestek van maximaal 10 jaar) tot mantelzorgbehoefte kan leiden. De indicatie hoeft geen verklaring te zijn dat de mantelzorgbehoefte daadwerkelijk zal intreden;
de omgevingsvergunning kan worden verleend voor een periode van maximaal 10 jaar;
voor zover een premantelzorgwoning wordt gerealiseerd in een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, dient te worden voldaan aan de eisen voor vergunningsvrij bouwen zoals opgenomen in artikel 2, aanhef en onderdeel 3 of artikel 3, aanhef en onderdeel 1, van Bijlage II bij het Bor, met uitzondering van de eis dat dat het gebruik functioneel ondergeschikt moet zijn aan het hoofdgebouw en het aantal woningen gelijk moet blijven;
als de premantelzorgwoning is gelegen buiten de bebouwde kom dan is de maximaal toegestane oppervlakte die volgt uit artikel 2, aanhef en onderdeel 3 of artikel 3, aanhef en onderdeel 1, van Bijlage II bij het Bor niet van toepassing, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
de premantelzorgwoning is in zijn geheel of in delen verplaatsbaar; en
de oppervlakte van de premantelzorgwoning bedraagt niet meer dan 100 m2.
in afwijking van lid 6 en 7 is een premantelzorgwoning toegestaan in een met vergunning gebouwd bijbehorend bouwwerk die reeds aanwezig is in het bebouwingsgebied;
per bouwvlak waar een woning of bedrijfswoning is toegestaan (of wanneer deze ontbreekt: per bestemmingsvlak waar een woning of bedrijfswoning is toegestaan) is ten hoogste één premantelzorgwoning toegestaan;
er is geen premantelzorgwoning toegestaan bij een woonwagen of een recreatiewoning;
er is geen premantelzorgwoning toegestaan wanneer binnen het bouwvlak (of wanneer deze ontbreekt: binnen het bestemmingsvlak) tegelijkertijd een mantelzorgwoning aanwezig is;
de afstand tussen de premantelzorgwoning en de dichtstbijzijnde gevel van de bestaande woning of bedrijfswoning bedraagt maximaal 20 m;
de belangen van gebruikers en/of eigenaren van nabijgelegen gronden mogen niet onevenredig worden geschaad;
geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van de milieusituatie;
er dienen voldoende parkeerplaatsen aanwezig te zijn (en te blijven) conform de parkeernormen zoals opgenomen in de Nota Parkeernormen van de gemeente Barneveld (hierna: “de Nota”). Indien de Nota na inwerkingtreding van deze beleidsregels wordt gewijzigd, dan wordt getoetst aan de Nota zoals deze gold ten tijde van het indienen van de aanvraag omgevingsvergunning;
de tijdelijke omgevingsvergunning voor een premantelzorgwoning is persoonsgebonden, dat wil zeggen dat voor iedere wijziging van zorgverlener(s) of zorgontvanger(s) een nieuwe omgevingsvergunning moet worden aangevraagd bij het college;
de aanvrager of diens rechtsopvolger dient de in zijn geheel of in delen verplaatsbare premantelzorgwoning of – indien deze is gerealiseerd in een bijbehorend bouwwerk – de gerealiseerde voorzieningen (zoals keuken, badkamer en toilet) te verwijderen:
na afloop van de termijn waarvoor deze is verleend, tenzij de woning op dat moment voldoet aan de voorwaarden voor een vergunningsvrije mantelzorgwoning;
indien de huisvesting in verband met premantelzorg is beëindigd;
indien de zorgverlener en/of zorgontvanger niet meer ter plaatse woonachtig is;
de aanvrager of diens rechtsopvolger meldt aan het bevoegd gezag (via info@oddevallei.nl) zodra de huisvesting in verband met premantelzorg is beëindigd of wanneer sprake is van een situatie als bedoeld in lid 17, sub c.
Artikel 4