Naar hoofdinhoud

Paragraaf

Artikel 1.

Verklaring begrippen.

Onderdeel van Treasurystatuut gemeente Vlissingen 2020

In dit statuut wordt verstaan onder: Administratieve organisatie: Het stelsel van organisatorische maatregelen gericht op het tot stand brengen en het in stand houden van de goede werking van de bestuurlijke en ambtelijke informatieverzorging ten behoeve van de verantwoordelijke leiding, waaronder het invoeren van functiescheiding en interne controle; Adviseur Treasury: Volgens functieboek gemeente Vlissingen – functiefamilie Adviseur B; BBV: Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten; Derivaten: Financiële instrumenten die hun bestaan ontlenen aan een bepaalde onderliggende waarde. De onderliggende waarden kunnen financiële producten, zoals leningen of obligaties zijn. Derivaten worden onder andere gebruikt om renterisico’s te sturen en financieringskosten te minimaliseren; Drempelbedrag: Het bedrag dat de gemeente over een heel kwartaal bezien schatkistbankieren gemiddeld buiten de schatkist mag aanhouden. De wijze waarop deze wordt bepaald is vastgelegd in de ‘Regeling schatkistbankieren decentrale overheden’; Fido (Wet - ): ‘Wet financiering decentrale overheden’; Financiering: Het aanwenden van benodigde financiële middelen (gelden). Deze middelen kunnen bestaan uit zowel eigen vermogen als vreemd vermogen; Geldstromenbeheer: Al die activiteiten die nodig zijn om liquiditeiten doelmatig te beheren zowel binnen de organisatie zelf als tussen de organisatie en derden (betalingsverkeer); Interne controle: Het geheel van controlemaatregelen gericht op het waarborgen van rechtmatigheid, juistheid, volledigheid en tijdigheid van de gegevensverstrekking; Kasgeld: Lening met een looptijd tussen één dag en één jaar, waarbij vooraf een rentepercentage wordt vastgesteld en de hoofdsom wordt gegarandeerd; Kasgeldlimiet: Een bedrag op basis van de Wet fido ter grootte van een percentage van het totaal van de jaarbegroting van de gemeente bij aanvang van het jaar. Maximum aan toegestane korte schulden. De wijze waarop deze wordt bepaald is vastgelegd in de ‘Uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden’; Koersrisico: Het risico dat de financiële activa van de organisatie in waarde verminderen door negatieve koersontwikkelingen; Kredietrisico: De risico’s op een waardedaling van een vordering ten gevolge van het niet (tijdig) kunnen nakomen van de verplichtingen door de tegenpartij als gevolg van insolventie (onmacht om te betalen) of faillissement; Liquiditeiten: Financiële middelen met een rentetypische looptijd korter dan 12 maanden; Liquiditeitenbeheer: Het aanwenden en uitzetten van middelen voor een periode tot één jaar; Liquiditeitenplanning: Een gestructureerd overzicht van de toekomstige inkomsten en uitgaven ingedeeld per tijdseenheid; Liquiditeitspositie: De mate waarin op korte termijn aan de opeisbare verplichtingen kan worden voldaan; Liquiditeitsrisico: De risico’s van mogelijke wijzigingen in de liquiditeitenplanning en de meerjaren-investeringsplanning waardoor financiële resultaten kunnen afwijken van de verwachtingen; Onderhandse lening: Lening waarbij de voorwaarden in onderling overleg met de geldgevende partij kunnen worden vastgesteld; Paragraaf financiering: De paragraaf financiering vormt een onderdeel van de begroting en jaarrekening. In de begroting wordt het voorgenomen beleid voor de treasury verwoord, terwijl in de jaarrekening de verantwoording aan de orde komt; Prudent karakter: Uitzettingen hebben een prudent karakter, wanneer in ieder geval aan twee aspecten is voldaan, te weten voldoende kredietwaardigheid van de tegenpartij en een beperkt marktrisico van de instrumenten van uitzetting; Publieke taak: Gemeenten kunnen uitsluitend leningen aangaan, middelen uitzetten en garanties verlenen voor de uitoefening van de publieke taak. De Wet fido geeft aan het begrip publieke taak een beperkte invulling. Bankachtige activiteiten, bijvoorbeeld het aantrekken en uitzetten van middelen met als doel het genereren van inkomen, worden volgens de Wet fido in elk geval niet tot de publieke taak van de gemeente gerekend en zijn verboden; Rating: De inschatting van de kans op eventuele wanbetalingen bij toekomstige rente- en aflossingsbetalingen op schuldpapier; Rente: De vergoeding die in rekening wordt gebracht voor het tijdelijk beschikbaar stellen van liquiditeiten (het lenen); Renterisico: Het gevaar van ongewenste veranderingen van de (financiële) resultaten van de gemeente door rentewijzigingen; Renterisiconorm: Deze norm stelt een maximum aan het bedrag van de vaste schuld, waarvoor in een jaar een nieuw rentepercentage wordt vastgesteld en leidt tot een spreiding van looptijden van langlopende leningen. De wijze waarop deze wordt bepaald is vastgelegd in ‘Uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden’; Rentetypische looptijd: Het tijdsinterval gedurende de looptijd van een geldlening, waarin op basis van de voorwaarden van de geldlening sprake is van een door de verstrekker van de geldlening niet beïnvloedbare, constante rentevergoeding; Rentevisie: Toekomstverwachting over de renteontwikkeling; Saldobeheer: Het beheer van de dagelijkse saldi op de rekeningen; Schatkistbankieren: Het uitzetten van gelden bij het Ministerie van Financiën; Toezichthouder: Op basis van de Wet fido is de toezichthouder de provincie Zeeland; Treasuryfunctie: De treasuryfunctie omvat alle activiteiten die zich richten op het besturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële stromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s. De treasuryfunctie bestaat uit vier deelfuncties: Risicobeheer: Renterisicobeheer Koersrisicobeheer Kredietrisicobeheer Intern Liquiditeitenbeheer valutarisicobeheer gemeentefinanciering financiering uitzettingen relatiebeheer kasbeheer geldstromenbeheer saldobeheer Liquiditeitenbeheer debiteuren- en crediteurenbeheer; Treasurybeleid: Het treasurybeleid bestaat uit de uitgangspunten, doelstellingen, richtlijnen en limieten, de organisatorische en administratieve kaders, de informatievoorziening en de administratieve organisatie ter uitvoering van de treasuryfunctie. Treasurybeheer: Het treasurybeheer is de uitvoering van de treasuryfunctie binnen de kaders van het treasurystatuut. De uitvoering is gebaseerd op de paragraaf financiering in de begroting. Treasurystatuut: Het document, waarin de gemeente haar treasurybeleid heeft vastgelegd; Uitzetting: Het tijdelijk toevertrouwen van liquiditeiten aan derden tegen vooraf overeengekomen condities en bedingen. Kortlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode tot één jaar en langlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode van één jaar of langer.

Rechtspraak bij dit artikel