Naast de algemene verplichtingen zoals vastgelegd in de ASV gelden de volgende bijzondere verplichtingen:
Een aanvrager vraagt aan en verantwoordt de subsidie conform deze regeling aan bij het college door gebruik te maken van een door het college vastgesteld aanvraag- en verantwoordingsformulier subsidie Kwaliteit Peuteropvang en Voor- en Vroegschoolse Educatie.
Gedurende het lopende subsidiejaar legt de subsidieontvanger per kwartaal verantwoording af. Op de volgende 4 peildata levert de subsidieontvanger uiterlijk haar kwartaalrapportage aan: 1 mei (over Q1), 1 augustus (over Q2), 1 november (over Q3) en 1 februari (over Q4).
Uiterlijk 12 weken na afloop van het vorige kalenderjaar dient de aanvrager in hetzelfde aanvraagformulier een jaarverantwoording in te dienen op basis van:
het jaarinkomen van de kinderen die gebruik hebben gemaakt van peuteropvang;
de bijbehorende ouderbijdrage;
het aantal weken dat een kind gebruik heeft gemaakt van peuteropvang of VVE.
Voor de VVE-plaatsen wordt vooraf betaald, dus die plaatsen worden gereserveerd voor doelgroepkinderen.
De ontvanger van een subsidie van € 50.000,- of meer per locatie is verplicht bij de aanvraag tot vaststelling een Assurance-rapport, dat is opgesteld door een accountant conform standaard 3000A of 3000D, te overleggen aan het college.
Elk jaar wordt het aantal plaatsen en de verdeling tussen de gemeente en de opvangorganisaties geëvalueerd en waar nodig aangepast.
Het college stelt het definitieve subsidiebedrag van de Peuteropvang na afloop van de subsidieperiode, op basis van de gegevens uit de verantwoording van de subsidieaanvrager, vast binnen 13 weken na ontvangst. Deze vaststelling vindt plaats op basis van het werkelijke aantal bezette peuterplaatsen, het werkelijk gehanteerde tarief en de totaal in rekening gebrachte ouderbijdragen en kan een terugvordering tot gevolg hebben als de houder minder bezette peuterplaatsen heeft gerealiseerd dan het aantal waarop de hoogte van de subsidieverlening was gebaseerd. Het aantal uur waarvoor subsidie wordt toegekend is gemaximeerd op de aantallen genoemd in artikel 4.
Het college stelt het aantal VVE-plaatsen voorafgaand aan het kalenderjaar vast. Gedurende het subsidiejaar en na afloop van het subsidiejaar subsidieert de gemeente geen extra VVE-plaatsen dan voorafgaand aan het subsidiejaar vastgelegd. Bij de verantwoording vordert de gemeente achteraf ook geen subsidie van niet bezette VVE-plaatsen terug.
Artikel 9.