Naar hoofdinhoud
1.. Voor het bepalen van de hoogte van het inkomen worden op de Peildatum de volgende doelgroepen onderscheiden: de alleenstaande; de alleenstaande ouder met een kind jonger dan 18 jaar; de gehuwden. 2.. Onder een minimuminkomen wordt verstaan: een fiscaal gezinsinkomen, dat minder dan of gelijk is aan 120% van het bruto WML voor gehuwden of daaraan gelijkgestelden of; een afgeleid percentage van het WML voor alleenstaanden of alleenstaande ouders dat elk half jaar door de directeur Inkomen wordt vastgesteld; voor personen met de pensioengerechtigde leeftijd 120% van de AOW norm, of een fiscaal gezinsinkomen dat hoger is dan 120% van die normen, maar waarvan dat meerdere is aangewend ter aflossing van een schuldenlast in het kader van een minnelijke schuldregeling bij de Gemeentelijke Kredietbank, een opgelegde schuldregeling op grond van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen of een schuldregeling van een door de gemeente aangewezen of gemandateerde instantie 3.. In het Refertejaar zijn 2 toetsinkomens van toepassing: voor huishoudens onder de pensioengerechtigde leeftijd het inkomen zoals vermeld in artikel 5, het tweede lid onder a of c. voor huishoudens met de pensioengerechtigde leeftijd het inkomen zoals vermeld in artikel 5, tweede lid onder b of c. Voor gezinnen waarvan de ene partner op datum aanvraag de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, maar de andere nog niet, zal het hoogste toetsinkomen worden toegepast. 4.. Indien door wijziging in de gezinssituatie ten aanzien van de Aanvrager in de loop van het refertejaar twee of meer minimuminkomensniveaus van toepassing zijn, stelt het college naar evenredigheid een individueel minimuminkomensniveau vast. 5.. Indien over een Refertejaar of een deel daarvan, een inkomenstoets in het kader van een gemeentelijke regeling heeft plaatsgevonden en daarbij is vastgesteld dat het inkomen niet hoger is dan het relevante toetsbedrag, kan het college besluiten dat het inkomen over (dat deel van) de referteperiode niet opnieuw wordt getoetst. 6. . Het inkomensniveau in het jaar voorafgaand aan het refertejaar is van toepassing indien de gegevens over het refertejaar redelijkerwijs niet beschikbaar zijn. Hetzelfde geldt voor het vermogensniveau op de peildatum.

Rechtspraak bij dit artikel