Naar hoofdinhoud
Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de bijzondere kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij de algemene vrijlatingsbepalingen met betrekking tot inkomsten en vermogen niet van toepassing zijn. De individuele inkomenstoeslag wordt niet in aanmerking genomen. De individuele studietoeslag wordt volledig in aanmerking genomen. Vrij te laten inkomsten als bedoeld in artikel 31, tweede lid, worden slechts in aanmerking genomen indien en voor zover een inkomensbestanddeel gelet op zijn aard in het bijzonder bestemd is om in de onderhavige noodzakelijke kosten te voorzien. Het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, wordt slechts in aanmerking genomen voor zover de aanvraag betrekking heeft op: noodzakelijke kosten waarin een bijzonder vermogensbestanddeel gezien zijn aard bestemd is te voorzien; de aflossing van een schuldenlast; de kosten van woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen. Voor zover de alleenstaande of het gezin beschikt of kan beschikken over bezittingen waarvan de waarde de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34, derde lid, te boven gaan, wordt dit meervermogen geheel in aanmerking genomen, behoudens een maandbedrag voor levensonderhoud, dat overeenkomt met de toepasselijke bedragen voor algemene bijstand, huurtoeslag, kinderbijslag en dergelijke. Van in het algemeen niet vrij te laten inkomsten wordt in aanmerking genomen: 0% voor zover de netto-inkomsten lager zijn dan de bijstandsnorm plus € 100; 25% van de netto inkomsten voor zover zij meer bedragen dan de bijstandsnorm plus € 100. In afwijking van het vorige lid wordt het meerinkomen geheel in beschouwing genomen wanneer de bijzondere bijstandsaanvraag betrekking heeft op: algemeen noodzakelijke kosten, te verlenen in aanvulling op de toepasselijke algemene bijstandsnorm, zoals de woonkostentoeslag of de jongerentoeslag ingevolge artikel 12 van de Participatiewet; kosten van curatele, bewindvoering, inkomensbeheer en mentorschap. Met het oog op het bepalen van de financiële draagkracht gaat het college uit van het gezinsinkomen: over het kalenderjaar voorafgaand aan de bijzondere bijstandsaanvraag indien deze is gedaan door een zelfstandige; over de kalendermaand voorafgaand aan de bijzondere bijstandsaanvraag in andere gevallen dan die bedoeld onder a. Inkomen dat in het kader van een minnelijke schuldregeling wordt aangewend voor de aflossing van een schuldsaneringskrediet bij de Gemeentelijke Kredietbank of voor de aflossing van een wettelijke schuldregeling in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen, wordt niet tot de draagkracht gerekend.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel