Ingevolge artikel 2 lid 3 Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) kan een persoon die algemene bijstand ontvangt gedurende ten hoogste 12 maanden gebruik maken van een voorbereidingsperiode. Personen die in verband met het voorbereidingstraject kosten moeten maken, kunnen daarvoor bijstand krijgen: het zogeheten “voorbereidingskrediet”.
Het College besluit dat de hoogte van het voorbereidingskrediet maximaal € 2.000 bedraagt.
Het voorbereidingskrediet heeft in eerste instantie de vorm van een renteloze lening. Start de klant in aansluiting op het voorbereidingstraject een bedrijf, dan wordt de renteloze geldlening omgezet in een rentedragende geldlening zoals nader is bepaald in het Bbz 2004. Daarbij wordt voor de hoogte van het rentepercentage van het voorbereidingskrediet aangesloten bij artikel 15 van het Bbz 2004.
Het College besluit het voorbereidingskrediet ook toe te kennen aan klanten met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW).
Artikel 5.4