Naar hoofdinhoud

Artikel 6.3

Invordering en kwijtschelding

Onderdeel van Beleidsregels Participatiewet, IOAW,IOAZ

1.. Het college vordert de teruggevorderde uitkering en de op derden verhaalde bijstand in. 2.. Het college ziet van gehele of gedeeltelijke (verdere) invordering af, indien de belanghebbende: een minnelijke regeling in het kader van, of analoog aan, de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen heeft getroffen, dan wel een (voorlopige) schuldsaneringsregeling door de rechtbank van toepassing is verklaard zoals bedoeld in de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Bij deze minnelijke regeling wordt een fraudevordering op de belanghebbende niet meegenomen, voor zover het op grond van het ontstaan van de vordering mogelijk was een boete op te leggen. In die gevallen blijft de som staan ten einde op een later moment te worden ingevorderd; een verzoek om kwijtschelding doet, nadat hij gedurende 10 jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan; een verzoek om kwijtschelding doet, nadat hij gedurende 10 jaar weliswaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog uit eigen beweging binnen 10 jaar en 10 maanden heeft betaald; gedurende 10 jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; een voorstel tot afkoop doet, op voorwaarde dat: de afkoopsom ten minste 50% van de openstaande vordering bedraagt en ineens wordt voldaan, en het aannemelijk is dat reguliere incasso niet een hoger bedrag oplevert dan de afkoopsom; een beroep doet op de aanwezigheid van dringende redenen en dit beroep door het college is gehonoreerd. 3. . Van invordering kan worden afgezien indien de terugvordering op geen enkele wijze de debiteur te verwijten is en de debiteur redelijkerwijs niet had kunnen begrijpen dat de verstrekte bijstand te hoog, ten onrechte of het gevolg van een administratieve fout was. 4.. Indien de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid, IOAW of artikel 13, eerste lid, IOAZ geldt dat: de termijn in het tweede lid, onder b 3 jaar en onder c, 3 jaar respectievelijk 3 jaar en 3 maanden is; voor elke aaneengesloten periode van drie maanden dat de belanghebbende geen beroep doet op de Participatiewet, IOAW of IOAZ de aflossing met één maand wordt verkort; de kwijtschelding ambtshalve plaatsvindt. 5.. Het college ziet niet af van (verdere) invordering indien de terugvordering meer dan één keer het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid, IOAW of artikel 13, eerste lid, IOAZ. 6.. Het tweede lid is niet van toepassing indien een opgelegde periodieke onderhoudsverplichting nog niet is geëindigd. 7.. Kwijtschelding vindt niet plaats indien de vordering: het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid, IOAW of artikel 13, eerste lid, IOAZ; door middel van beslag of (vereenvoudigd) derdenbeslag wordt ingevorderd; voor invordering is overgedragen aan de gerechtsdeurwaarder, dan wel wordt gedekt door pand of hypotheek op een of meer goederen, dit voor zover de vordering op deze goederen kan worden verhaald.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel