Naar hoofdinhoud
1.. Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. 2.. Er is sprake van onverantwoord snelle intering op vermogen als vanaf het moment waarop de belanghebbende redelijkerwijs kon weten dat hij op bijstand zal zijn aangewezen, het vermogen daalt tot onder de grens van het vrij te laten vermogen (artikel 34, lid 2, onder d, en lid 3, Participatiewet) als gevolg van een uitgavenpatroon van meer dan anderhalf maal de voor de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand inclusief vakantietoeslag. 3.. De verlaging wordt vastgesteld op: 10 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag tot € 1000; 20 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 1000 tot € 2000; 30 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 2000 tot € 3000; 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag van € 3000 of hoger. 4.. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid verlaagt het college de uitkering met 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand, indien belanghebbende tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft getoond doordat hij voorafgaand aan een uitkeringsaanvraag door eigen schuld of toedoen geen inkomsten uit arbeid in dienstbetrekking of inkomsten uit eigen bedrijf heeft.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel