Naar hoofdinhoud
1.. Het college van burgemeester en wethouders kan een parkeervergunning intrekken of wijzigen: Op verzoek van de vergunninghouder; Wanneer de vergunninghouder niet meer woonachtig is of geen beroep of bedrijf meer uitoefent in het gebied, waarvoor de parkeervergunning is verleend; Wanneer er zich een wijziging voordoet in één van de omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van de parkeervergunning; Wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van parkeervergunningen komt te vervallen; Wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de parkeervergunning verbonden voorschriften; Wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de parkeervergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt; Wanneer de vergunninghouder niet voldaan heeft aan de mededelingsplicht zoals bedoeld in artikel 7; Om redenen van openbaar belang. 2.. Een besluit tot het intrekken of wijzigen van een parkeervergunning is met redenen omkleed. De betrokkene wordt van het intrekken of wijzigen schriftelijk in kennis gesteld. 3.. Indien de parkeervergunning is ingetrokken op grond van lid 1 sub e. of f. wordt een aanvraag voor een parkeervergunning door de oorspronkelijke aanvrager, binnen 6 maanden na intrekking, geweigerd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel