De aanvangshuurprijs van een middeldure huurwoning bedraagt ten minste het bedrag dat is bepaald door toepassing van artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag en ten hoogste € 1.032,- (prijspeil 2020).
De in het eerste lid van dit artikel genoemde hoogste aanvangshuurprijs van een middeldure huurwoning wordt ieder opeenvolgend kalenderjaar vastgesteld op 140% van het bedrag dat is bepaald door toepassing van artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag.
Gedurende de instandhoudingstermijn blijft de huurprijs van een sociale huurwoning onder het bedrag zoals dit is genoemd in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag.
Gedurende de instandhoudingstermijn blijft de huurprijs van een middeldure huurwoning binnen de bandbreedte zoals die is genoemd in het eerste en tweede lid van dit artikel.
Het derde lid van dit artikel is niet van toepassing indien, met inachtneming van artikel 252a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, een huurverhoging wordt toegepast voor huishoudens met een inkomen boven 1,5 keer het bruto modaal inkomen.