De belasting voor het eigenarendeel wordt geheven naar een vast bedrag per perceel.
De belasting voor het gebruikersdeel wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat wordt afgevoerd.
Het aantal kubieke meters water dat wordt afgevoerd wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater, grondwater en oppervlaktewater dat in de aan het begin van het belas tingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of opgepompt. Als de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald.
Als gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een:
watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of
bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen.
De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enig andere wettelijke bepaling.
De op de voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is afgevoerd.
Als de gegevens bedoeld in het derde lid voor een perceel niet bekend zijn, stelt de in artikel 232, vierde lid, onderdeel a, van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar het aantal kubieke meters water voor dat perceel vast op basis van een watergebruik van 45 m3 per persoon per jaar.
Als meerdere percelen gebruik maken van één watermeter en geen tussenmeters aanwezig zijn, verdeelt de in artikel 232, vierde lid, onderdel a, van de Gemeentewet bedoelde ambte naar de hoeveelheid afvalwater – voor zover mogelijk – naar evenredigheid van het aantal personen over de verschillende percelen.
Voor de toepassing van het zevendeen achtste lid wordt uitgegaan van het aantal personen dat bij aanvang van de belastingplicht in de basisregistratie personen stond ingeschreven op een perceel.