Naar hoofdinhoud

Artikel 7

Wijze van heffing en termijn van betaling

Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van Parkeerbelastingen 2021

De belasting, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald bij de aanvang van het parkeren, door middel van contante betaling of gebruik van pinbetaling. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college gestelde voorschriften. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting, indien het in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door middel van het inloggen via mobiele telefoon of ander communicatiemiddel bij de centrale computer, betaald worden binnen één maand na de dag waarop het belastbare feit heeft plaatsgevonden. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald op het tijdstip dat de parkeervergunning wordt verleend. Bij voldoening van aangifte van een bewonersvergunning moet het kenteken van het motorvoertuig waarmee wordt geparkeerd worden opgegeven. Voor parkeervergunningen voor bedrijven moet het kenteken en/of bedrijfsnaam worden opgegeven. Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel