1.. Bij het bepalen van het inkomen en vermogen wordt rekening gehouden met:

  • - de vermogensgrens die wordt bepaald in artikel 34 van de wet;
  • - de middelen die in artikel 31 lid 2 van de wet genoemd zijn;
  • - de extra vrijlating op het saldo van de betaalrekening voor lopende uitgaven. De hoogte van de vrijlating is 1,5 maal de (kostendelers-)norm exclusief vakantietoeslag;
  • - De extra vermogensvrijlating voor uitvaartkosten. De hoogte van de vrijlating is het bedrag dat de Belastingdienst hanteert als aftrekpost voor de vaststelling van de nalatenschap. De voorwaarden zijn:
    • - voor de kosten van de uitvaart is geen dekkende verzekering afgesloten;
    • - het bedrag is gestort op een depositorekening bij een begrafenisonderneming;
    • - het bedrag kan alleen gebruikt worden voor uitvaartkosten;
    • - het bedrag is niet tussentijds opneembaar;
    • - de rente wordt jaarlijks bijgeschreven op de depositorekening.

2.. Voor zover het vermogen in de eigen woning minder is dan het bedrag in artikel 34 lid 2 sub d van de wet, telt dit niet mee voor de bepaling van het vermogen.