**1..** Voor organisaties die overwegend van een Delftse subsidie afhankelijk zijn geldt een vermogenstoets. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:
de vrij besteedbare middelen van de organisatie aan het einde van het boekjaar waarover de subsidie wordt verstrekt mogen maximaal 10% zijn van de inkomsten voor dat boekjaar;
per instelling kan worden bepaald dat voor de normering van het weerstandsvermogen de vuistregel “10% van het totaal aan inkomsten” een afwijkend percentage moet worden gehanteerd;
tot het vrij beschikbare reservevermogen worden tevens gerekend voorzieningen en bestemmingsreserves van de aanvrager c.q. begunstigde waarvan de noodzaak niet is aangetoond;
indien uit de bij de aanvraag gevoegde gegevens of anderszins blijkt dat het vrij beschikbare reservevermogen van de aanvrager meer bedraagt dan het genormeerde weerstandsvermogen gedurende het eerstvolgende jaar, dan kan het bedrag aan te verlenen subsidie overeenkomstig worden verlaagd;
indien uit de bij een rekening gevoegde balans blijkt dat het vrij beschikbare eigen vermogen van een begunstigde meer bedraagt dan het genormeerde weerstandsvermogen gedurende het verstreken jaar, kan het college van burgemeester en wethouders bij de subsidie-aanvraag voor het nieuwe subsidiejaar het meerdere op de subsidie in mindering brengen.
**2..** Bij de subsidieregeling kan van het bepaalde in dit artikel worden afgeweken.