Naar hoofdinhoud
1.. Het is verboden zonder daartoe bevoegd te zijn zich te bevinden in openbare groenvoorzieningen, met uitzondering van met gras beplante groenvoorzieningen. 2.. Het is verboden zonder daartoe bevoegd te zijn om schade toe te brengen aan openbare groenvoorzieningen of om een voorwerp, zoals een container, caravan of kampeertent in of op openbare groenvoorzieningen te plaatsen. Het college kan vergunning verlenen voor het plaatsen van een voorwerp in een openbare groenvoorziening. 3.. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de vergunning worden geweigerd: als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of een belemmering kan vormen voor het beheer en onderhoud van de openbare plaats; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast of gevaar voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 4.. Het is verboden met een voertuig of een paard in of door een openbare groenvoorziening te rijden of daarin een voertuig te plaatsen. Het verbod is niet van toepassing op situaties, dat voertuigen worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid en voor voertuigen, waarmee een standplaats is ingenomen op terreinen die daarvoor zijn bestemd. 5.. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod als bedoeld in het vierde lid niet van toepassing is. Het college kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen: in het belang van het voorkomen van overlast; in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden; in het belang van de veiligheid van het publiek. 6.. Het verbod is niet van toepassing op bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden: ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als bedoeld in het eerste lid; die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als bedoeld in het eerste lid; voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 7.. Het verbod als bedoeld in het vierde lid geldt voorts niet binnen de bij of krachtens de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'. 8.. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het vierde lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel