Voor het opleggen van de boete moet er sprake zijn van verwijtbaarheid.
Het college kan van het opleggen van een boete afzien of kan het boete bedrag verlagen, als de overtreder aannemelijk maakt dat op grond van:
de ernst van de overtreding;
de mate van verwijtbaarheid;
de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan of
de omstandigheden waarin de overtreder verkeert,
het opleggen van de (volledige) boete onevenredig is.
Lid 2 is niet van toepassing, als de overtreder:
eenzelfde overtreding in de zin van artikel 4.17 van de Wet al eerder heeft begaan (recidive);
zegt de inhoud van de correspondentie van de gemeente niet te begrijpen;
stelt niet op de hoogte zijn van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 4.17 van de Wet;
zegt al eerder aan zijn verplichting te hebben voldaan, maar dit niet kan aantonen;
stelt niet in staat te zijn geweest zijn belangen te behartigen, doordat hij tijdelijk niet op het adres zegt te wonen. Hieronder wordt ook begrepen tijdelijk verblijf in het buitenland, verblijf in een instelling voor de gezondheidszorg of op het gebied van kinderbescherming of penitentiaire instelling;
zegt geen post te hebben ontvangen;
aangemerkt wordt als gelegenheidsgever.
Artikel 4
Verwijtbaarheid
Onderdeel van Beleidsregels bestuurlijke boete Wet Basisregistratie Personen