1. In de gevallen, bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Awb, is de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, aan het college daarvoor een vergoeding verschuldigd.
2. Het college bepaalt de hoogte van de vergoeding als bedoeld in het eerste lid.
3. Bij de bepaling van de waarde van het vermogen gaat het college uit van de economische waarde van de eigendommen en de andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt.
4. In afwijking van het derde lid wordt bij verlies of beschadiging van eigendommen uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger is ontvangen, vermeerderd met de restwaarde.
5. Indien het een onroerende zaak betreft, wordt de waarde bepaald door een of drie door het college in overleg met de subsidieontvanger aan te wijzen onafhankelijke deskundigen.
6. De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, bedraagt niet meer dan het aandeel van de gemeente in de vermogensvorming.
7. Het college kan op verzoek van subsidieontvanger beslissen dat deze geen vergoeding verschuldigd is indien:
a. de activiteiten worden overgenomen en voortgezet door een rechtspersoon met gelijke of nagenoeg gelijke doelstellingen als de subsidieontvanger;
b. de realisatie van de doelstelling niet in gevaar komt, en
c. de activa en passiva tegen boekwaarde, bepaald op grond van historische kostprijs, worden overgenomen door de rechtspersoon die de activiteiten overneemt en voortzet.
Artikel 7.
Vergoeding voor vermogensvorming
Onderdeel van SUBSIDIEREGELING SOCIALE LEEFOMGEVING GEMEENTE BRUMMEN 2021