Deze verordening verstaat onder:
begraven : het in een graf of grafkelder op de begraafplaats begraven of herbegraven van een lijk of het bijzetten van een asbus;
opgraven : het uit een graf of grafkelder op de begraafplaats opgraven van een lijk of een asbus, anders dan wegens ruiming;
asbus : een bus ter berging van as van een gecremeerde overledene;
grafrecht : het uitsluitend recht om in een bepaald graf op de begraafplaats te doen begraven;
grafbedekking : gedenkteken of grafbeplanting op een graf;
rechthebbende: de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een uitsluitend recht is verleend op een particulier graf of een urnenruimte;
foetus : menselijke vrucht jonger dan 24 weken;
grafgroenraam : een groene omlijsting, waarmee de rand van het graf tijdens een teraardebestelling is afgedekt;
eigen graf : een particulier graf - uitgegeven tot en met 1962 - waarop een grafrecht voor onbepaalde tijd is gevestigd;
algemeen graf : een graf bij de gemeente in beheer waarin gelegenheid wordt geboden tot het doen bergaven van lijken.
natuurlijk graf : een particulier graf in een speciaal daarvoor bestemmende natuurlijke omgeving met aangepaste voorwaarden, waarvoor aan een rechthebbende het uitsluitend recht is verleend tot:
het doen begraven en begraven van lijken;
het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen.