Naar hoofdinhoud
1. Het subsidieplafond wordt jaarlijks vastgesteld door het college, binnen de door de raad vastgestelde begroting, voor aanvang van het tijdvak waar de activiteiten betrekking op hebben. Per activiteit als bedoeld in artikel 3 tweede lid wordt een deelplafond vastgesteld. 2. Indien het aangevraagde bedrag van alle tijdig ingediende aanvragen voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a, groter is dan het vastgestelde subsidieplafond, dan wordt de subsidie naar evenredigheid van het aantal klokuren van de aanvragers lager vastgesteld. 3. Het college verdeelt het subsidieplafond voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder b, op volgorde van rangschikking van de aanvragen. 4. Het college kent bij een aanvraag een hoger aantal punten toe, naarmate: a. meer inwoners met achterstand bereikt worden; b. de achterstand van inwoners in sport- of cultuurparticipatie groter is; c. meer inwoners doorstromen naar reguliere sport- en cultuuraanbieders; d. er samenwerking is met meerdere sectoren; onderwijs, welzijn, zorg, fondsen of bedrijfsleven; e. de aanvrager meer ervaring heeft met het bereiken van de inwoners met achterstand. 5. Het aantal punten bedraagt bij de onderdelen a en b van het vierde lid ten minste één en ten hoogste dertig punten, en bij onderdeel c en d van het vierde lid ten minste één en ten hoogste vijftien punten, en bij onderdeel e van het vierde lid ten minste één en ten hoogste tien punten. 6. Het college rangschikt de aanvragen die voldoen aan de subsidievereisten hoger naarmate in totaal meer punten aan de aanvraag zijn toegekend. 7. In het geval dat het plafond van een deelplafond na beoordeling van de aanvragen niet bereikt is, kan het college besluiten alsnog het restant plafond te publiceren voor nieuwe aanvragen of deze toe te voegen aan een ander deelplafond.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel