**1..** Het college stelt invordering vast volgens een individueel vastgestelde betalingsregeling.
**2..** Voor zover belanghebbende een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ of de Bbz gaat het college, ongeacht de in het eerste lid van dit artikel genoemde betalingsregeling, meteen na afgifte van het terugvorderingsbesluit over tot verrekening van de vordering met het recht op uitkering. De basishoogte van de verrekening bedraagt 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand inclusief vakantietoeslag, maar niet meer dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen.
**3..** Bij de invordering van vorderingen op grond van het Bbz 2004 wordt onderscheid gemaakt tussen invordering van uitkering levensonderhoud en bedrijfskrediet:
Het college kan bijstand voor levensonderhoud dat is teruggevorderd op grond van artikel 12 tweede lid, sub c, Bbz 2004 invorderen. Het college neemt aan de hand van het inkomen een invorderingsbesluit. Met de eerste termijn wordt rekening gehouden met de hoogte van het inkomen in het jaar van verstrekking (bijstand, inkomen uit bedrijf en overig inkomen) en de van toepassing zijnde jaarnorm. Te hoge privé-uitgaven in het jaar van bijstandsverlening kunnen hierbij als verwijtbaar gedrag gezien worden.
Op bijstand voor levensonderhoud dat terugbetaald wordt in verband met het eigen vermogen is artikel 13 Bbz 2004 van toepassing. Terugvordering vindt plaats op het moment dat belanghebbende de door het college vastgestelde aflossingsverplichting niet nakomt.
Het college beoordeelt of er invordering van de hoofdsom plus de renteachterstand ineens moet plaatsvinden in het geval dat het verstrekte bedrijfskapitaal reeds is teruggevorderd. Het college beoordeelt of er een schuldregeling overeenkomstig artikel 42 Bbz 2004 (gestelde zekerheden blijven buiten de sanering) noodzakelijk is of dat er een lagere betaalverplichting vastgesteld kan worden. Voorwaarde is dat het bedrijf dan levensvatbaar is. De wettelijke rente is van toepassing over de teruggevorderde hoofdsom en renteachterstand (artikel 4:98, eerste lid Awb).
Ingeval van bedrijfsbeëindiging is het bedrijfskapitaal direct opeisbaar (hoofdsom plus renteachterstand) op grond van artikel 39, tweede lid, sub b, Bbz 2004 en kan worden teruggevorderd. Zekerheden worden uitgewonnen door het college. Indien er sprake is van een eigen woning en de lening voor bedrijfskapitaal onder verband van hypotheek of verpanding is verstrekt, is artikel 43 a tot en met d, Bbz 2004 van toepassing.
Bij het bestaan van zekerheden worden deze uitgewonnen voor zover niet wettelijk geregeld. Bij bezit van een eigen woning wordt beoordeeld of het behoud van de eigen woning financieel verantwoord is. Het college beoordeelt of er sprake is van verwijtbaar handelen bij de “verkoop” van de zekerheden en stemt hier de incasso op af.
Het college vordert in bij alle partijen aan wie het bedrijfskapitaal is verstrekt en/of zich hoofdelijk aansprakelijk gesteld hebben voor de terugbetaling hoofdsom en de rente. Indien er sprake is van samenwerkingsverbanden (VOF, BV etc.), waarbij de medevennoot zich aansprakelijk gesteld heeft voor het verstrekte bedrijfskapitaal, zal bij het niet nakomen van de verplichtingen ook de medevennoot aansprakelijk gesteld worden voor de terugbetaling. Er wordt dan een privaatrechtelijke invorderingsprocedure opgestart bij de belanghebbenden die niet tot de doelgroep van het Bbz 2004 behoorden.
**4..** Het college voert periodiek een onderzoek naar mogelijk gewijzigde financiële omstandigheden uit. Indien er sprake is van een bestaand bedrijf/zelfstandig beroep wordt binnen een periode van 12 maanden na het laatste onderzoek opnieuw een onderzoek uitgevoerd.