Naar hoofdinhoud
1.. Het college kan op verzoek van belanghebbende geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering of verdere terugvordering van de kosten van bijstand als: belanghebbende gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan; belanghebbende gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald; de belanghebbende gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; de (volledige) terugvordering leidt tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor belanghebbende of diens gezin (dringende redenen). 2.. De periode van vijf jaar als bedoeld in het vorige lid onder a, b, en c, bedraagt drie jaar als het inkomen van belanghebbende in deze periode niet hoger was dan de toepasselijke beslagvrije voet. 3.. De periode van vijf jaar genoemd in eerste lid van dit artikel, onder a, b en c, bedraagt tien jaar indien sprake is van een verwijtbare vordering wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht. 4.. Het college ziet af van terugvordering als het terug te vorderen bedrag minder bedraagt dan € 100,00. Indien het college meerdere vorderingen heeft op de belanghebbende, dan geldt het minimumbedrag van € 100,00 voor het saldo van alle vorderingen tezamen. 5.. Ingeval artikel 13 van het Bbz 2004 bij de toekenning van toepassing was, bedraagt de terugbetalingsperiode maximaal 10 jaar na beëindiging van de uitkering op grond van het Bbz 2004. Deze termijn kan na schriftelijk verzoek van belanghebbende met maximaal 3 jaar worden verlengd. Na het voldoen aan de afgesproken aflossingsbedragen scheldt het college het restant kwijt. 6.. Het college ziet niet af van invordering als er sprake is van dwanginvordering.

Rechtspraak bij dit artikel