Naar hoofdinhoud
De burgemeester kan de vergunning intrekken als: blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; de omstandigheden of inzichten op grond waarvan de vergunning is afgegeven zodanig zijn gewijzigd dat een situatie is ontstaan als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder d; gehandeld wordt in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen; de exploitant of de beheerder(s), tenzij deze laatste(n) uit zijn dienstbetrekking met onmiddellijke ingang door de ondernemer wordt (worden) ontslagen, in enig opzicht van slecht levensgedrag getuigt, onder curatele staat (staan) of bewind is ingesteld over één of meer aan (hem) hen toebehorende zaken; de exploitatie van een speelautomatenhal voor een periode van langer dan zes maanden wordt onderbroken; de exploitant of een beheerder(s) niet langer voldoet (voldoen) aan de eisen, als gesteld in de wet, het Speelautomatenbesluit 2000, de APV, Wet Bibob of deze verordening; de exploitant hierom verzoekt; of deze niet wordt benut binnen twee jaar na het verlenen van de vergunning.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel