Naar hoofdinhoud
1.. Een onzelfstandige woonruimte dient een oppervlakte van ten minste 18 m2 gbo te hebben. 2.. Een sociale huurwoning tot de kwaliteitskortingsgrens, als bedoeld in art. 20, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag, dient een woonoppervlakte van ten minste 30 m2 gbo te hebben. 3.. Een sociale huurwoning tot de 1e aftoppingsgrens, als bedoeld in art. 20, tweede lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, dient een woonoppervlakte van ten minste 40 m2 gbo te hebben. 4.. Een sociale huurwoning tot de 2e aftoppingsgrens, als bedoeld in art. 20, tweede lid, onder b, van de Wet op de huurtoeslag, dient een woonoppervlakte van ten minste 45 m2 gbo te hebben. 5.. Een sociale huurwoning boven de 2e aftoppingsgrens tot de grens , bedoeld in art. 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag dient een woonoppervlakte van ten minste 55 m2 gbo te hebben. 6.. Een sociale/goedkope koopwoning dient een oppervlakte van ten minste 60 m2 gbo te hebben. 7.. Een middenhuur woning dient een oppervlakte van ten minste 60 m2 gbo te hebben. Het college van burgemeester en wethouders kan deze oppervlaktematen voor een specifiek project gemotiveerd wijzigen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel