Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is.
Het gaat dus uitdrukkelijk om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder.
In het verleden moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (verder: Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten. In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen.
De aanbieder is ten aanzien van de hier in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de Wmo 2015).
In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat die verplichting door aanbieders goed wordt uitgevoerd.
Hoofdstuk 8.
Artikel 17.
Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning Terschelling 2021