Vanuit de bestudeerde beleidsstukken en de resultaten uit de gehouden gespreken met beheerders zijn algemene uitgangspunten en criteria voor de inrichting van de openbare ruimte opgesteld. De technische uitgangspunten per vakdiscipline vindt u in deel III. Hieronder vindt per vakdiscipline een overzicht plaats van de relevante kaders.
2.3.1 Verharding
Voor de verharding geldt, dat deze duurzaam moet zijn en past bij de functie en inrichting. Uitgangspunten hierbij zijn:
In 30 km/uur wegen de verharding bij voorkeur uitvoeren in klinkers; wanneer openbaar vervoer gebruik maakt van een straat in dit gebied is extra aandacht voor de opbouw van de constructie nodig;
Op routes van de hulpdiensten zo weinig mogelijk obstakels toepassen (drempels e.d.);
Indien paden van halfverharding worden aangelegd, moet er een begaanbare (verharde) route voor rolstoelgebruikers aanwezig zijn of worden gemaakt;
Alleen indien noodzakelijk gebruik maken van zogenaamde stootbanden (verhoogde banden) bij parkeervakken;
Gebakken materialen hergebruiken;
Betonmaterialen alleen hergebruiken na visuele beoordeling;
Indien de berm te smal is voor een groenvoorziening (<1 m) kan worden gekozen voor een opvulling met een gesloten verharding
2.3.2 Openbare verlichting
In gemeente Medemblik wordt gewerkt met verschillende masten en armaturen.
Voor de openbare verlichting gelden de volgende uitgangspunten:
We passen LED verlichting en dimregimes toe om energie te besparen en de verlichting passend te laten zijn met de verkeersintensiteit.
De openbare verlichtingsmasten worden buiten de toekomstige kroon van een boom geplaatst.
Voor ieder project wordt een verlichtingsplan opgesteld. Nieuwe technische ontwikkelingen op het gebied van verlichting worden hierin meegenomen;
Aanlichten van belangrijke objecten (bijvoorbeeld voetgangersoversteekplaatsen en wegversmallingen) met prioriteit voor rijbaan en fietspad.
2.3.3 Groenvoorzieningen
2.3.3.1. Algemeen
Houdt bij aanleg rekening met sociale veiligheid, verkeersveiligheid en bereikbaarheid van de openbare ruimte tijdens onderhoud.
Voorkom versnippering van kleine groenstrookjes. Kleine groenstroken zijn namelijk onderhoudsintensief en slijtagegevoelig.
Voorkom illegaal grondgebruik door openbare groen bij voorkeur niet direct te laten grenzen aan particulier groen. Pad of erfafscheiding toepassen.
Goed sluitende en bodembedekkende beplanting gebruiken.
2.3.3.2 Bomen
Uitgangspunten:
Er wordt gewerkt volgens de ’eisen aanleg groeiplaatsen voor bomen’, hoofdstuk 4; Handboek Bomen 2018;
Vruchtdragende bomen alleen in beplantingsvakken en bermen;
Geen luisgevoelige bomen bij of op parkeerterreinen en voet- en wandelpaden in verband met druipen;
Bomen bij voorkeur in gras of beplanting;
Alleen wisselperken toepassen op plekken met een historische context;
Geen eiken bij speelvoorzieningen plaatsen i.v.m. eikenprocessierups;
Oppervlakkig wortelende bomen niet in of nabij verharding toepassen i.v.m. wortelopdruk en kans op verdroging in de zomermaanden;
Selecteer soorten die positief bijdragen aan de (bio)diversiteit in het bomenbestand;
Pas ziekteresistente en klimaatrobuuste soorten toe;
Pas circulaire soorten toe. Dat zijn boomsoorten die bij einde levensduur hergebruikte kunnen worden in andere sectoren;
Pas bomen toe die passen bij de lokale omstandigheden (bodem, vruchtbaarheid, vochthuishouding, grondwaterpeil, lichtsterkte);
Bestaande bomen handhaven zolang zij veilig zijn en aan het bedoelde eindbeeld van de boom of boomstructuur (laan) voldoen;
Bij situaties met bestaande bomen in bermen wordt er altijd maatwerk gemaakt. De richtlijnen voor bermbreedtes bij bomen zijn dan niet leidend.
2.3.4. Speelvoorzieningen
Valondergronden worden ingericht conform de eisen van het toestel. Toestelkeuze en de plaats van aanbrengen is altijd afhankelijk van de ligging van speelplek en zijn omgeving. Bij speelplaatsen gelden de volgende uitgangspunten:
Nieuwe speelvoorzieningen moeten voldoen aan het Attractiebesluit;
Speelvoorziening niet te dicht bij de rijweg of water situeren.
2.3.5. Straatmeubilair
Voor straatmeubilair geldt:
Bij verzorgingshuizen zorgen voor voldoende en bereikbaar straatmeubilair (banken, prullenbakken).
2.3.6. Nutsvoorzieningen:
Voor nutsvoorzieningen geldt:
Nutsleidingen niet toepassen onder gesloten verharding;
Kabels en leidingen toepassen onder trottoir of overige elementenverharding (niet in de rijweg);
Indien hiervoor geen mogelijkheid is, toepassen in een berm zonder bomen;
Loze leidingen van alle nutsvoorzieningen te allen tijde verwijderen;
Nutsvoorzieningen nooit onder (toekomstige) boomkronen leggen.
2.3.7 Hemelwaterafvoer (zie GRP)
Het hemelwater dient in de gemeente Medemblik bij nieuwbouw met 60 tot 100% van het dakoppervlak te worden afgekoppeld. Deze eis komt voort uit milieuoogpunten.
Hierbij gelden de volgende uitgangspunten:
Hemelwater afkoppelen op oppervlaktewater;
Beperken verhard oppervlak om infiltratie van regenwater in de bodem mogelijk te maken.
Het wel of niet afkoppelen van wegen wordt per situatie beoordeeld. De kwaliteit van het af te koppelen water hangt af van de verkeersintensiteit.
2.3.8. Afvalinzameling
Bij hoogbouw- en winkelgebieden wordt ondergrondse afvalinzameling nagestreefd. Bij de hoogbouw vindt geen gescheiden afvalinzameling plaats. Bij de laagbouw wordt het groene en grijze afval wel gescheiden opgehaald. Er zijn vaste opstelplaatsen voor afvalinzameling.
Bij de inpassing van ondergrondse afvalcontainers dient ook rekening gehouden te worden met bereikbaarheid voor de inzameldiensten (richtlijnen HVC);
De voorziening moet bereikbaar zijn en de rijbaan moet breed genoeg zijn om ander verkeer te passeren.
2.3.9. Verkeer
Voor de verschillende verkeerstromen binnen de gemeente Medemblik geldt, dat er wordt ingestoken op een Duurzaam Veilige Inrichting. Het langzaam verkeer wordt gestimuleerd en gefaciliteerd. Er wordt naar gestreefd om het doorgaande verkeer uit de woonwijken te weren door inrichtings- en snelheidsmaatregelen. De verkeersaders worden verbeterd in het kader van veiligheid en verkeersafwikkeling; hierbij worden relatief onveilige locaties gericht aangepakt. Verder gelden de volgende uitgangspunten:
Alle verkeerssituaties waar voetgangers worden geacht gebruik van te maken, dienen voorzien te zijn van trottoirs;
Voet- en fietsverkeer bevorderen door snelle en veilige verbindingen met comfortabele verharding;
Streven naar logische routes voor verbindingen naar scholen en belangrijke voorzieningen (fietspaden en trottoirs);
Snelheidsremmende en /of attentie verhogende maatregelen op plaatsen waar veel wordt overgestoken;
Oversteekbaarheid van wegverkeersaders moet goed zijn (logische plek, goed overzicht, kort oversteek);
Bij voorkeur geen voetgangersoversteekplaatsen in 30 km/zone, uitgezonderd bijvoorbeeld voor scholen;
Voor kinderwagens en rolstoelen een logische route vormen met behulp van op- en afritjes;
Parkeren langs wegen buiten de bebouwde kom zo veel mogelijk voorkomen;
Bij beplanting en andere inrichtingselementen het zicht waarborgen.
Voor fietspaden geldt:
Streven naar tweezijdig gelegen fietspaden;
Bij hoofdwegen streven naar vrij liggende fietspaden, als dit niet mogelijk is, kiezen voor aanliggend of anders fietsstroken;
Aanleg van fietspaden op 30 - en 60 kilometer wegen is afhankelijk van de intensiteit van het fiets- en autoverkeer, in relatie tot de gereden snelheid.
Voor vrachtverkeer geldt:
Streven naar laden en lossen op eigen terrein (APV);
Waar nodig laad- en losvoorzieningen realiseren (niet op de rijbaan);
Reguleren van parkeren vrachtverkeer.
Openbaar vervoer
Binnen de gemeente Medemblik wordt het verbeteren, stimuleren en faciliteren van het openbaar en het aanvullend vervoer nagestreefd. Door weinig beschikbare ruimte in de wegprofielen worden (vrij liggende) busbanen niet toegepast.
Hoofdstuk 2.
Artikel 2.3
Beleidsuitgangspunten voor de openbare ruimte
Onderdeel van Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Medemblik houdende regels omtrent de Leidraad Inrichting Openbare Ruimte (LIOR)