Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4.

Artikel 7.

Citeertitel

Onderdeel van Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet Terschelling 2021

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet Terschelling2021 . Aldus besloten in de openbare vergadering van het de raad van de gemeente Terschelling, Terschelling, 18 november 2020 De raad van de gemeente Terschelling voornoemd, J. Hofman, C.M. van de Pol, griffier voorzitter Bijlage bij artikel 3 van de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet 2020, Terschelling Langdurig laag inkomen, percentage van de toepasselijke bijstandsnorm: 105% Toelichting algemeen Aan de bijstandsverlening ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die reden is bij de invoering van de Wet werk en bijstand in 2004 de langdurigheidstoeslag in het leven geroepen. Sinds 1 januari 2009 is de langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd. Sinds die datum is de langdurigheidstoeslag een bijzondere vorm van (categoriale) bijzondere bijstand. Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag. Sindsdien is het verlenen van de toeslag geen gebonden bevoegdheid meer, maar een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het college een individuele inkomenstoeslag kan verlenen als een persoon voldoet aan de voorwaarden daarvoor. Deze bevoegdheid ziet met name op het in aanmerking nemen van persoonlijke omstandigheden van een belanghebbende bij de beoordeling van het hebben van zicht op inkomensverbetering. Maar deze bevoegdheid betekent niet dat als een belanghebbende geen langdurig laag inkomen heeft, toch op grond van zijn persoonlijke omstandigheden aan hem een individuele inkomenstoeslag kan worden verleend. Het college kan in beleid nadere regels stellen in het kader van de individuele inkomenstoeslag. Zo kan er in de beleidsregels worden aangeven welke groepen uitzicht hebben op inkomensverbetering en daardoor in principe niet in aanmerking komen voor individuele inkomenstoeslag en andersom welke groepen geen uitzicht hebben op inkomensverbetering en daardoor in principe wel in aanmerking komen voor individuele inkomenstoeslag. Overigens dient aanvullend nog wel een onderzoek plaats te vinden of er gelet op individuele omstandigheden moet worden afgeweken van deze min of meer standaard groepindeling. Vast te leggen regels in verordening De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is een inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die langdurig een laag inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet). Bij verordening moeten regels vastgesteld worden over het verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet. Deze regels moeten in ieder geval betrekking hebben op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’. Op grond van deze verordening is geen sprake van een laag inkomen bij een inkomen hoger dan in de bijlage opgenomen percentage van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Daarnaast moet bij verordening de hoogte van de individuele inkomenstoeslag bepaald worden. Het college kan in beleidsregels aangeven wanneer sprake is van 'geen uitzicht op inkomensverbetering'. Gelet op de tekst van artikel 8, tweede lid, van de Participatiewet hoeft dit criterium niet te worden vastgelegd in de verordening. Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op inkomensverbetering' moet het college rekening houden met de omstandigheden van de persoon. Dit vergt een op de aanvrager toegespitst onderzoek. In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot die omstandigheden in ieder geval worden gerekend: - de krachten en bekwaamheden van de persoon, en - de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen. Wijziging leefvorm De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwd) van een persoon kan wijzigen binnen de referteperiode. Dit is bijvoorbeeld het geval indien gehuwden een individuele inkomenstoeslag aanvragen, maar zij over een gedeelte van de referteperiode als alleenstaande moeten worden aangemerkt. Personen moeten dan ook over dat deel van de referteperiode aan de voorwaarden voldoen om voor individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen. Gehuwden moeten zowel gezamenlijk als afzonderlijk aan de voorwaarden voldoen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel