De subsidie wordt verstrekt voor de volgende kostensoorten die resteren na aftrek van bijdragen van derden en die naar het oordeel van het college billijk zijn voor de uitvoering van de onder artikel 2 genoemde activiteiten:
De aanneemsom bepaald op basis van de leidraad van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed.
De risicoverrekening van loon- en materiaalprijsstijgingen.
De kosten van een architect en van een constructeur, voor zover inschakeling hiervan noodzakelijk is.
De kosten van noodzakelijk meerwerk.
De verschuldigde BTW voor zover deze niet kan worden teruggevorderd.
De kosten van een inspectierapport van de recente bouwkundige staat. Dit volgens de methodiek van de Monumentenwacht, opgesteld door een, door het college aanvaardbaar geachte, onafhankelijke deskundige of deskundige instantie.
Artikel 6
Kosten die voor subsidie in aanmerking komen
Onderdeel van Uitvoeringsregeling subsidie schapenboeten en monumenten 2020