1 Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren
het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de
door het college te geven aanwijzingen moet worden herplant.
2 Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan
kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de
herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet
worden vervangen.
3 Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen tevens
behoren aanwijzingen ter bescherming van in en rond de houtopstand
voorkomende flora en fauna en het met name niet uitvoeren van
kapwerkzaamheden in het broedseizoen.
4 Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan het
voorschrift behoren dat een Bomen Effect Analyse (BEA) dient te
worden opgesteld in gevallen van bouw of aanleg van werken nabij te
behouden bomen.
5 Een vergunning wordt verleend onder de standaardvoorwaarde van
feitelijk niet-gebruik tot:
a de bezwaartermijn voor derden is verstreken zonder dat bezwaar is
ingediend;
b beslist is op een verzoek om een voorlopige voorziening;
c zes weken nadat beslist is op het bezwaar van derden en geen
verzoek tot voorlopige voorziening is gedaan.
6 De vergunning wordt verleend onder de standaardvoorwaarde dat deze
vervalt als hier geen gebruik van is gemaakt binnen een jaar nadat
dit, met inachtneming van lid 5 feitelijk is toegestaan.
7 Indien voldoende termen aanwezig zijn om overeenkomstig het
bepaalde in lid 1 een herplantvoorschrift te verbinden aan de
vergunning doch uitvoering hiervan in ruimtelijke zin niet tot de
mogelijkheden behoort, kan het college aan de vergunning het
voorschrift verbinden dat de vergunningaanvrager een vergoeding
verschuldigd is, te storten in het gemeentelijk bomenfonds.
8 Het college stelt nadere regels vast omtrent de wijze waarop de
hoogte van de in het vorige lid bedoelde vergoeding gebaseerd op
boomwaarde, wordt bepaald.
Hoofdstuk › Paragraaf 3
Artikel 4.3.5
Bijzondere vergunningsvoorschriften
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening De Bilt 2007