Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 › Paragraaf

Artikel 33.

Vervoersvoorzieningen

Onderdeel van Uitvoeringsregels maatschappelijke ondersteuning Enkhuizen 2020

Sociaal recreatief vervoer is een manier om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer. Het draagt dus bij aan participatie doordat iemand die behoort tot de doelgroep van de Wmo 2015, ondanks zijn beperkingen of problemen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Om dit te kunnen is vereist dat iemand zich kan verplaatsen. De maatwerkvoorziening sociaal recreatief vervoer voorziet hierin. Voor toekenning van een maatwerkvoorziening is vereist dat er sprake is van een concrete vervoersbehoefte en dus van een vervoersprobleem is voor het lokale vervoer. Dit probleem moet tot gevolg hebben dat de cliënt hierdoor niet op een aanvaardbaar niveau zelfredzaam is of kan participeren. Er kan hierbij sprake zijn van: een belemmering bij het voeren van een huishouden omdat de persoon niet in staat is om bijvoorbeeld boodschappen te doen of om een kind naar school te brengen en hiervoor geen adequate alternatieven zijn; het niet kunnen bereiken van de voorzieningen in zijn directe leefomgeving. Het gaat daarbij om een winkelcentrum, een NS-station, het ziekenhuis, de huisarts, de tandarts; of belemmeringen om andere mensen te ontmoeten en sociale verbanden aan te gaan, omdat hij zich bijvoorbeeld niet kan verplaatsen naar een buurthuis, het sportcomplex, de vereniging, het zwembad of zijn familie en vrienden of niet de gelegenheid heeft een praatje te maken op straat. Een cliënt komt alleen in aanmerking voor een maatwerkvoorziening voor sociaal-recreatief vervoer als het gebruik van een algemeen gebruikelijke of een algemene voorziening geen of onvoldoende oplossing biedt of als hiermee niet volledig in de vervoersbehoefte wordt voorzien. Belemmeringen in het gebruik van algemeen gebruikelijke of algemene vervoersvoorzieningen kunnen bijvoorbeeld ontstaan omdat: een cliënt het openbaar vervoer in verband met zijn beperkingen niet kan bereiken; de algemene vervoervoorziening onvoldoende toegankelijk is; hij niet in staat is te wachten op het openbaar vervoer; er sprake is van incontinentieproblemen, gedragsproblemen, allergieën of overgevoeligheid voor ziekteverwekkers waardoor geen gebruik kan worden gemaakt van algemene of algemeen gebruikelijke vervoervoorzieningen. Het kan ook zijn dat een algemeen gebruikelijke of algemene voorziening onvoldoende oplossing biedt omdat bijvoorbeeld: de vervoersbehoefte zich richt op korte afstanden; een vrijwilligersdienst geen uitkomst biedt; de buurtbus geen oplossing biedt; er sprake is van bestemmingen waar het openbaar vervoer geen oplossing voor is; er sprake is van een reisbehoefte op tijdstippen waarop het openbaar vervoer niet rijdt. In de laatste 2 gevallen moet er dan wel sprake zijn van een beperking waardoor de cliënt geen algemene of algemeen gebruikelijk alternatief kan aanwenden. Zo kan een blinde student in veel gevallen wel gebruik maken van het openbaar vervoer, maar kan hij niet gaan fietsen op het moment dat het openbaar vervoer niet rijdt, terwijl een ziende studiegenoot dit alternatief wel kan gebruiken.

Rechtspraak bij dit artikel