Een van de doelen van de Wmo 2015 is, dat cliënten langer thuis kunnen blijven wonen. Dit hoeft niet onder alle omstandigheden in dezelfde woning te zijn. Het gaat vooral om het wonen in een “eigen” woonomgeving. Dit kan dus ook op een andere locatie zijn. Hieruit vloeit voort dat het college afweegt of een woonvoorziening moet worden aangeboden in de vorm van een woningaanpassing of een tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing. Aan het maken van die afweging ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het college gehouden is om de goedkoopst adequate voorziening te verstrekken. In dat verband onderzoekt het college onder andere de volgende aspecten:
in de persoon gelegen factoren: wat is de aard van de beperkingen en wat kan er gezegd worden over de ontwikkeling van die beperkingen in de toekomst? Kan van de cliënt in redelijkheid verlangd worden om te verhuizen, bijvoorbeeld op grond van de sociale contacten die hij in zijn woonomgeving heeft, zijn leeftijd, zijn gezondheid? Wil de cliënt zelf liever in zijn woning blijven of verhuizen naar een andere woning?
is er sprake van mantelzorg die in gevaar komt als de cliënt zou verhuizen?
kan woningaanpassing een oplossing bieden voor de belemmeringen die de cliënt nu ondervindt. Ook voor de toekomst? Met andere woorden: kan woningaanpassing naar verwachting een duurzame oplossing zijn? Uitgangspunt is hierbij dat de cliënt nog ten minste 5 jaar met de aanpassingen in de woning kan blijven wonen.
is er op korte termijn geschikte, voor de cliënt acceptabele alternatieve woonruimte beschikbaar? En ook tegen een voor de cliënt betaalbare prijs? En waar? Dit laatste ook gezien in het licht van het kunnen handhaven van de sociale contacten en eventuele mantelzorg. Zijn daar dan sowieso ook nog aanpassingen nodig?
als er sprake is van een eigen woning: leidt een verhuizing tot een onacceptabel financieel nadeel als gevolg van de verkoop van de huidige woning? Zal de woning naar verwachting binnen een redelijke termijn verkocht kunnen worden?
Als uit het onderzoek blijkt dat een verhuizing geen adequate oplossing is voor de cliënt, zal worden overgegaan tot aanpassing van de huidige woning.
Als uit het onderzoek blijkt dat aanpassing van de huidige woning geen adequate, duurzame oplossing biedt voor de cliënt, zal de cliënt het advies krijgen te verhuizen naar een meer geschikte woning. Aanpassing van de woning is dan niet aan de orde. Een eventueel te verstrekken woonvoorziening bestaat dan uit een tegemoetkoming in de kosten van die verhuizing, althans als de cliënt er ook voor kiest om daadwerkelijk te verhuizen.
Dit is ook het geval als de kosten van een woningaanpassing niet in verhouding staan tot de kosten van een verhuizing en er ook geen objectieve bezwaren zijn tegen een verhuizing. De kosten van de woningaanpassing worden in dat geval afgezet tegen de maximale richtbedragen voor de tegemoetkoming voor verhuiskosten.
Als een verhuizing de goedkoopst adequate oplossing is, maar de cliënt kiest ervoor om toch niet te verhuizen, dan kan hij de tegemoetkoming voor de verhuizing gebruiken om de eigen woning aan te passen. Uit het door de cliënt in te dienen zorg- en budgetplan moet voldoende blijken dat de door de cliënt aan te brengen voorzieningen een duurzame oplossing bieden voor de problematiek van de cliënt. De cliënt komt de komende vijf jaar niet in aanmerking voor een woonvoorziening, afgezien van niet-voorziene wijzigingen in de beperkingen van de cliënt.
Als er sprake is van problemen in de zelfredzaamheid of participeren in verband met de ligging van de woning, zal een woningaanpassing geen oplossing bieden. In dat geval kan slechts sprake zijn van een advies voor verhuizing.
Hoofdstuk 4 › Paragraaf
Artikel 57.
Afweging verhuizen of woning aanpassen
Onderdeel van Uitvoeringsregels maatschappelijke ondersteuning Enkhuizen 2020