Naar hoofdinhoud
Tijdens een vergunningprocedure kan voor één of meerdere aspecten intern advies nodig zijn. De ODMH heeft voor een groot aantal onderwerpen specialisten in huis om een goede kwaliteit van de vergunning (en andere adviezen) te waarborgen. Er zijn specialisten voor de onderwerpen bodem, geluid, lucht, geur, ecologie, archeologie, monumenten, externe veiligheid en duurzaamheid, maar ook op het gebied van constructieve veiligheid en bestemmingsplannen. Deze specialisten hebben diepgaande kennis en ervaring op hun specifieke vakgebied. Bij complexe(re) situaties kunnen specialisten ook betrokken worden bij een locatiebezoek in het kader van een vergunningaanvraag. Het contact kan via een casemanager lopen, maar er kan ook voor gekozen worden om rechtstreeks contact te leggen tussen de aanvrager en de (interne of externe) specialist. Indien nodig, worden ook externe specialisten ingeschakeld bij de toetsing van de aanvraag. Hierbij kan gedacht worden aan brandveiligheid. Bouwen Een aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt op grond van de Wabo getoetst aan: het geldende bestemmingsplan en/of toekomstige bestemmingsplan voor zover sprake is van een ontwerpbestemmingsplan dat ter inzage heeft gelegen; het Bouwbesluit; de Bouwverordening; de redelijke eisen van welstand (indien van toepassing); het exploitatieplan (indien aanwezig); de beheersverordening (indien aanwezig); overige gemeentelijk beleid 6Parkeerbeleid, huisvestingsbeleid, economisch beleid enz. . Sloopwerkzaamheden Indien een aanvraag om omgevingsvergunning ook betrekking heeft op sloopwerkzaamheden, toetsen wij de aanvraag aan: het geldende en/of toekomstige bestemmingsplan; het Bouwbesluit; het Asbestverwijderingsbesluit 2005; Erfgoedwet indien sprake is van een monument. Brandveilig gebruik Indien een aanvraag om omgevingsvergunning betrekking heeft op brandveilig gebruik van bijvoorbeeld kinderdagverblijven, basisscholen, hotels, pensions, ziekenhuizen en tehuizen met meer dan 10 bedden, toetsen wij de aanvraag aan: het Bouwbesluit. Aanleg van een uitweg of inrit Een aanvraag om omgevingsvergunning voor de aanleg van een in- of uitrit wordt op grond van de Wabo getoetst aan: Algemene Plaatselijke Verordening (APV); lokale uitvoeringsregels·. Kappen van houtopstand Een aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit kappen wordt op grond van de Wabo getoetst aan: Algemene Plaatselijke Verordening (APV); Lokale uitvoeringsregels. Indien de houtopstand zich buiten de bebouwde kom bevindt, is de Wet van 20 juli 1961, houdende nieuwe bepalingen ter bewaring van bossen en andere houtopstanden (Boswet) van toepassing. Reclame-uitingen Een aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit reclame wordt op grond van de Wabo getoetst aan: Algemene Plaatselijke Verordening (APV); archeologie; welstand. Aanleg op grond van het bestemmingsplan Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor aanlegwerkzaamheden zoals graven, slopen, bestraten, aanleggen van verhardingen, rioleringen/drainagesystemen wordt getoetst aan: de regels uit het bestemmingsplan. Monumenten Een aanvraag om omgevingsvergunning voor werkzaamheden aan monumenten wordt op grond van de Wabo getoetst aan: de Wabo; het Bouwbesluit; de Erfgoedwet; de erfgoedverordening of monumentenverordening; de eisen van de Stichting ERM (Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg); gemeentelijke uitvoeringsregelingen en richtlijnen. Een belangrijk uitgangspunt bij monumenten is dat technische eisen geen afbreuk mogen doen aan het monumentale karakter. In geval van monumenten kan van de eisen van het Bouwbesluit afgeweken worden, behalve als het gaat om de eisen op het gebied van brandveiligheid of constructieve veiligheid. Wabo De vergunningplicht voor restauraties en renovaties is opgenomen in de Wabo. De gemeente Gouda kan de plicht voor een omgevingsvergunning middels een erfgoedverordening ook van toepassing verklaren op de aangewezen monumenten. Monumentenstatus Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van onder meer de Monumentenwet 1988. De Erfgoedwet is een integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. In de Erfgoedwet is geregeld hoe monumenten aangewezen kunnen worden als beschermd monument. Er zijn verschillende soorten beschermde monumenten: Rijks-, provinciale en gemeentelijke monumenten. Het Rijk houdt een register bij van de 55.000 beschermde rijksmonumenten. Provinciale monumenten zijn er alleen in Drenthe en Noord-Holland, in Zuid-Holland komen deze niet voor. Verwacht wordt dat de lijst van gemeentelijke monumenten de komende jaren in omvang zal toenemen Als de aanwijzingsprocedure van een monument nog niet is afgerond, dan heeft het pand/object een vóórbeschermde status. De gemeente Gouda heeft geen beleid op grond waarvan bij een vóórbeschermde status al de voorschriften met betrekking tot de instandhouding van het monument van toepassing zijn. Formeel kunnen de voorschriften met betrekking tot de instandhouding van het monument in die gemeente dus niet van toepassing verklaard worden. Als er een aanvraag wordt ingediend voor een pand met vóórbeschermde status in Gouda, zal de casemanager/vergunninghouder in overleg treden met de aanvrager om te zorgen dat bij de werkzaamheden vast rekening wordt gehouden met de eisen die aan monumenten worden gesteld. Onderdelen van de voormalige Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, gaan op termijn naar de Omgevingswet, waarvan de inwerkingtreding in 2019 verwacht wordt. Het gaat om onderdelen die betrekking hebben op: vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; bescherming van stads- en dorpsgezichten. Voor deze onderdelen is een hoofdstuk ‘overgangsrecht’ in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet, op grond waarvan onderdelen van de Monumentenwet 1988 van kracht blijven. De ODMH betrekt deze onderdelen bij de taken ten aanzien van monumenten. Tijdens de vergunningprocedure wordt het plan door één casemanager tegelijkertijd met de activiteit bouwen behandeld. Voor het onderdeel activiteit monumenten doet de casemanager een beroep op de monumentenspecialist(en), die na een inspectie op locatie een inhoudelijk advies schrijft voor de Welstand- en monumentencommissie/erfgoedcommissie over het onderdeel monumenten voor de vergunning. De monumentenadviseurs zijn bij de behandeling aanwezig om eventuele nadere informatie te verstrekken. Een belangrijk uitgangspunt bij monumenten is dat verbouwplannen geen afbreuk mogen doen aan het monumentale karakter. Bij grote verbouwingen van monumenten wordt veelal om een bouwhistorisch onderzoek gevraagd. Hierin stelt een onafhankelijke specialist vast welke waarden een pand heeft en in hoeverre deze waarden kunnen worden aangetast. Op basis hiervan kan een verbouwingsplan worden gemaakt. Een aanvraag wordt getoetst aan de eisen van de Stichting ERM (Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg). De Erfgoedwet bevat overigens ook voorschriften voor onderwerpen op het gebied van roerend erfgoed, zoals het beheer van de Rijkscollectie, een zorgvuldige afstoting van cultuurgoederen in bezit van overheden en de aanwijzing, uitvoer en teruggave van beschermde cultuurgoederen. Ook regelt de Erfgoedwet de vervanging van de opgravingsvergunning door een archeologiecertificaat. Dit zijn onderwerpen die buiten de reikwijdte van deze nota vallen. Beschermd stads- en dorpsgezicht Beschermde stads- of dorpsgezichten zijn gebieden met beeldbepalende gebouwen met historische karakteristieken. Het Rijk kan deze gebieden op grond van de Erfgoedwet aanwijzen. De gemeente is verplicht voor deze gebieden een beschermend karakter in het bestemmingsplan vast te leggen. Dit betreft niet alleen de bebouwing, maar ook de onbebouwde ruimte (denk aan lantaarnpalen of beplantingen). Voor onderhoud van Rijksmonumenten in zo’n gebied is een omgevingsvergunning vereist, tenzij de activiteit vergunningvrij is. Strijdig gebruik Bij activiteiten die in strijd zijn met het bestemmings- of inpassingsplan, dient een beoordeling ten aanzien van dit strijdig gebruik uitgevoerd te worden. Indien een aanvraag niet past binnen de regels van een bestemmingsplan, wordt een aanvraag om een vergunning ook beschouwd als een aanvraag om af te wijken van die regels (vergunning strijdig gebruik). Welstand Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken wordt veelal getoetst aan 'redelijke eisen van welstand'. Als een bouwplan niet aan de welstandseisen voldoet, mag er geen omgevingsvergunning worden afgegeven, tenzij het gemeentebestuur vindt dat (de) andere argumenten zwaarder wegen. Het college van burgemeester en wethouders besluit of een bouwplan voldoet aan de welstandseisen, en laat zich daarbij adviseren door een onafhankelijke welstandscommissie. Om te mogen toetsen aan redelijke eisen van welstand moet de gemeente wel welstandsbeleid hebben vastgelegd in een welstandsnota. In deze nota zijn de beleidsregels vastgelegd met daarin de welstandscriteria en welstandskaders die worden toegepast bij de beoordeling van de bouwplannen. Naast aangewezen beschermde stads- of dorpsgezichten en het gewone welstandsgebied waar de basiskwaliteit moet worden gehandhaafd, kan de gemeente bijzondere welstandsgebieden aanwijzen waar extra inspanning ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit gewenst is. Het accent ligt dan op herstellen en versterken van de karakteristiek en de samenhang van het gebied. Het is ook mogelijk dat een gemeente welstandsarme of welstandsvrije gebieden aanwijst waarin minder of geen welstandsbeleid wordt gevoerd. Hier laat de gemeente de architectonische kwaliteit vrij(er).

Rechtspraak bij dit artikel