Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2:

Artikel 6

Zittingsduur en vacatures

Onderdeel van Verordening op de voorbereiding van raadsvergaderingen 2010

1.. De zittingsperiode van een lid, de voorzitter en de plaatsvervanger eindigt in ieder geval aan het einde van de zittingsperiode van de raad. 2.. Een lid houdt op als zodanig te fungeren indien hij a. benoemd zijnde als raadslid, ophoudt lid van de raad te zijn; b. benoemd zijnde als lid, niet-raadslid, niet langer voldoet aan de in artikel 4, 3e lid genoemde eisen. 3.. De raad kan een lid ontslaan op voorstel van de fractie op wiens voordracht het lid is benoemd. 4.. De raad kan de door hem benoemde voorzitter ontslaan. 5.. De voorzitters kunnen te allen tijde ontslag nemen. Zij doen daarvan schriftelijk mededeling aan de raad. Het ontslag gaat een maand na de schriftelijke mededeling in of zoveel eerder als hun opvolger is benoemd. 6.. Indien door overlijden of ontslag een vacature ontstaat, beslist de raad zo spoedig mogelijk over de vervulling daarvan met inachtneming van de artikelen 4 en 5. 7.. Indien een fractie blijkens een schriftelijke verklaring aan de voorzitter van de raad niet langer vertegenwoordigd is in de raad, vervalt het lidmaatschap van het lid of leden dat of die op voordracht van die fractie is of zijn benoemd, van rechtswege.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel