**1..** Een lid van de raad voert pas het woord als hij dit aan de voorzitter heeft gevraagd en de voorzitter het woord heeft verleend. Dit doet de voorzitter in de volgorde waarin het woord is gevraagd.
**2..** Van de volgorde kan worden afgeweken als een lid van de raad het woord vraagt voor een persoonlijk feit of voor het indienen van een voorstel van orde.
**3..** Een voorstel van orde kan zowel door de voorzitter als door een lid van de raad worden gedaan. De raad beslist over het voorstel van orde.
**4..** De voorzitter verleent het woord voor een persoonlijk feit pas als een voorlopige aanduiding van dat feit is gegeven. De voorzitter beslist of iets een persoonlijk feit vormt.
**5..** De leden van de raad spreken vanaf het spreekgestoelte en richten zich tot de voorzitter. De in artikel 62, eerste lid, bedoelde personen spreken eveneens vanaf het spreekgestoelte.
Hoofdstuk 4 › Paragraaf 2:
Artikel 56:
Het spreken in de raad
Onderdeel van Reglement van orde gemeenteraad en raadscommissies Amsterdam