Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2

Artikel 2.3

Terugvordering

Onderdeel van Debiteurenplan gemeente Dalfsen 2020

2.3.1 verplichte terugvordering artikel 58, lid 1 Participatiewet en artikel 25, lid 1 IOAW/IOAZ Indien sprake is van een vordering zoals beschreven in artikel 58, lid 1 Participatiewet en artikel 25, lid 1 IOAW/IOAZ, dan is het college verplicht de te veel verstrekte bijstand altijd terug te vorderen. Uitgangspunt van het college is dat er bij ten onrechte verstrekte bijstand in verband met schending van de inlichtingenverplichting (artikel 17, lid 1 Participatiewet en artikel 13, lid 1 IOAW/IOAZ) of opgelegde maatregelen in principe altijd een terugvorderingsbesluit wordt genomen. Dit uit het oogpunt van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. Afzien van het nemen van een terugvorderingsbesluit zou ook een ongewenste stimulans kunnen zijn om te frauderen. 2.3.2 bevoegdheid tot terugvordering artikel 58, lid 2 Participatiewet en artikel 25, lid 2 en lid 3 IOAW/IOAZ Artikel 58, lid 2 Participatiewet en artikel 25, lid 2 en lid 3 IOAW/IOAZ geeft het college de bevoegdheid kosten van bijstand terug te vorderen. Het college maakt van deze bevoegdheid gebruik, zoals benoemd in de situaties in artikel 58, lid 2 onder a tot en met f, Participatiewet, artikel 25, lid 2 en 3 IOAW/IOAZ en zoals beschreven in het Debiteurenplan. Artikel 58, lid 2 Participatiewet - De terugvorderingssituaties onder a tot en met c spreken voor zich. - Onder d, wordt het verstrekte voorschot geheel of gedeeltelijke teruggevorderd indien over de belanghebbende periode geen recht op bijstand bestaat of het recht op bijstand minder bedraagt dan het verstrekt voorschot. - Terugvordering van onverschuldigd betaalde bijstand (onder e), vindt niet plaats als de betaling heeft plaatsgevonden meer dan twee jaar voor de datum van verzending van het terugvorderingsbesluit (artikel 58, lid 6). Het gaat om situaties waarin het college een onjuiste betaling heeft gedaan en belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen weten. De vordering vloeit daarbij niet voort uit een herzienings- of intrekkingsbesluit. - Onder f, eerste zin, wordt met onverschuldigd betaalde bijstand de volgende situatie bedoeld: Belanghebbende beschikt naderhand of kan naderhand beschikken over in aanmerking te nemen middelen (inkomen, vermogen) met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend. Inkomen: het gaat om inkomen, dat in aanmerking zou zijn genomen bij de vaststelling van het recht op bijstand en de hoogte van de bijstand. Bijvoorbeeld het achteraf ontvangen van ww- of wia-uitkering. Vermogen: Als belanghebbende redelijkerwijs niet kan beschikken over vermogen, wordt dit niet meegenomen bij de vaststelling van het recht op bijstand. Indien belanghebbende wel kan beschikken over het vermogen, wordt het vermogen vanaf datum aanspraak op dit vermogen in aanmerking genomen. Als blijkt dat ten onrechte of teveel bijstand is verstrekt, dan wordt dit bedrag teruggevorderd. Onder f, tweede zin, spreekt voor zich. Artikel 25, lid 2 en lid 3 IOAW/IOAZ spreekt voor zich. 2.3.3. bevoegdheid terugvordering Besluit bijstandverlening zelfstandigen. Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot terugvordering en invordering zoals neergelegd in artikel 10 onderdeel c van de Bbz. Het college vordert het bedrijfskapitaal dat is toegekend op grond van de artikelen 20, 22 en 24 van het Bbz terug als de zelfstandige niet aan zijn betalingsverplichtingen voldoet. Indien één van de situaties uit artikel 41 vierde lid Bbz zicht voordoet, worden de leningen en eventuele achterstallige rente teruggevorderd. Indien de omstandigheden uit artikel 41 vijfde lid Bbz zich voordoen, dan worden de vanaf de vervaldatum achterstallige rente- en aflossingsbedragen teruggevorderd. 2.3.4 afzien van terugvordering: kruimelbedragen en zes-maanden jurisprudentie Het college heeft op grond van artikel 58, lid 2 Participatiewet en artikel 25, lid 2 en lid 3 IOAW/IOAZ ook de bevoegdheid (gedeeltelijk) af te zien van terugvordering. Het college ziet om bedrijfseconomische redenen af van het nemen van een terugvorderingsbesluit, indien het bedrag van te veel verstrekte bijstand lager is dan € 25,00 netto en verrekening (artikel 58 lid 4 Pw en artikel 25 lid 4 IOAW) niet meer van toepassing is. Het college ziet tevens af van terugvordering, indien de terugvordering betrekking heeft op de periode vanaf zes maanden nadat belanghebbende het signaal heeft afgegeven (zes-maanden jurisprudentie). Bijvoorbeeld de volgende situatie: belanghebbende meldt op 1 januari dat een meerderjarig kind, met inkomen uit dienstverband, weer thuis is komen wonen. In augustus wordt door het college opgemerkt dat de kostendelersnorm per abuis niet is toegepast. Dan geldt de zes-maanden jurisprudentie en wordt de te veel verstrekte uitkering tot en met 30 juni teruggevorderd en vanaf 1 juli niet teruggevorderd. Tot slot geeft artikel 58, lid 8 Participatiewet en artikel 25, lid 7 IOAW/IOAZ het college de bevoegdheid indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn te besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel